Lezing
Hymne
1593
Psalmen
947
Lauden
Hymne
1596
Psalmen
950
KS
1597
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
954
KS
957
Vespers
Hymne
1601
Psalmen
958
KS
1603
Completen
Hymne
682
Psalmen
1209
H. Martelaren van Gorcum
Martelaren
Op 9 juli 1572 werden bij Brielle negentien priesters en kloosterlingen, voor het merendeel inwoners van Gorcum, gedood vanwege hun getuigenis omtrent de werkelijke tegenwoordigheid van het Lichaam van Christus in de eucharistie en omtrent het gezag van de paus als zichtbaar hoofd van de kerk. Het waren: pastoor Lenaert (Leonardus) Veghel, zijn kapelaan Claes (Nicolaas) Poppel, de priester Govaert van Duynen alsmede de gardiaan van de franciscanen Claes (Nicolaas) Pieck met tien medebroeders: de paters Jeroen (Hieronymus) van Weert, Dirk (Theodorus) van der Eem (of van Emden), Nicasius van Heeze, Willehad de Deen, Govaert van Melver, Antoon van Weert, Antoon van Hoornaar, Frans Roy en de broeders Pieter van Assche en Cornelis van Wijck, en de augustijner kanunnik Jan van Oisterwijk. Na hun arrestatie werden aan hun gezelschap toegevoegd: de dominicaan Jan van Keulen, pastoor te Hoornaar, de norbertijnen Adriaan van Hilvarenbeek en Jacques Lacops die resp. pastoor en kapelaan waren te Monster, en pastoor Andries Wouters van Heinenoord. Ten prooi aan bespotting en mishandeling hielden zij moedig stand. Tenslotte werden zij door ophanging om het leven gebracht. Om hun geloof met ere in de geschiedenis van de kerk van Nederland vermeld, werden zij in 1867 door paus Pius IX heiligverklaard. Gedeelten van hun relieken worden in Brielle en Gorcum bewaard.
Eerste lezing
II Kor. 4, 7-15
Broeders en zusters,
Wij dragen een schat in aarden potten; duidelijk blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Wij worden aan alle kanten bestookt maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer maar zijn nooit ten einde raad; wij worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld maar gaan er niet aan dood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in ons lichaam openbaar worden. Voortdurend wordt ons leven aan de dood uitgeleverd om Jezus’ wil opdat ook het leven van Jezus zich zou openbaren in ons sterfelijk bestaan. Zo verricht de dood zijn werk in ons en het leven in u. Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: “Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken.” Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt, ook ons evenals Jezus ten leven zal wekken om ons tot zich te voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u de genade moet zich in velen vermenigvuldigen zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam.
Antwoordpsalm
Ps. 126 (125), 1-2ab, 2cd-3, 4-5, 6
Refrein:
Die onder tranen zaaien, oogsten met gejuich.
De Heer bracht Sions ballingen terug:
het was alsof wij droomden.
Toen lachten alle monden
en juichte elk tong.
Toen zei men bij de volken:
geweldig is het wat de Heer hen deed.
Geweldig was het wat de Heer ons deed,
daarom zijn wij zo blij.
Keer nu ons lot ten goede, Heer,
zoals een beek doet in de Zuid-woestijn.
Die onder tranen zaaien
zij oogsten met gejuich.
Vol zorgen gaan zij uit
met zaaizakken beladen;
maar keren zingend weer
beladen met hun schoven.
Evangelie
Mt. 10, 17-22
Mt. 10, 17-22
Gij zult een voorwerp van haat zijn; wie echter ten einde toe volhardt, zal gered worden.
De Heer zij met u. allen: En met uw geest. Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs. allen: Lof zij U, Christus.
In die tijd zei Jezus tot de twaalf: “Neemt u in acht voor de mensen. Zij zullen u overleveren aan de rechtbanken en u geselen in hun synagogen. Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden omwille van Mij, om zo ten overstaan van hen en de heidenen getuigenis af te leggen. Maakt u echter wanneer men u overlevert niet bezorgd over het hoe of wat van uw spreken op dat ogenblik zal u worden ingegeven wat gij moet zeggen. Want niet gij zijt het die spreekt, maar door u spreekt dan de Geest van uw Vader. De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden, de vader zijn kind; de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood doen brengen. Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen, omwille van mijn Naam. Wie echter ten einde toe volhardt, hij zal gered worden.”





