14 juni 2026 ✝ Elfde zondag door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

692

Psalmen

996

Lauden

Hymne

696

Psalmen

999

KS

1002

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1003

KS

1006

Vespers

Hymne

698

Psalmen

1007

KS

1010

Completen

Hymne

682

Psalmen

1203

Eerste lezing

Ex. 19, 2-6a

In die dagen
kwamen de kinderen van Israël in de Sinaïwoestijn waar zij dicht bij de berg hun kamp opsloegen. Mozes ging op naar God en de Heer riep hem vanaf de berg en zei: “Dit moet gij zeggen tot het huis van Jakob en doen weten aan de kinderen van Israël: ‘Gij hebt zelf gezien wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, hoe Ik u op arendsvleugelen gedragen heb en bij Mij heb gebracht. Als gij naar mijn stem luistert en mijn verbond onderhoudt, dan zult ge van alle volken mijn bijzondere eigendom zijn, want de hele aarde behoort Mij toe. Gij zult voor Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk.’”

Antwoordpsalm

Ps. 100 (99), 2. 3. 5 (R. 3c)

R. Zijn volk zijn wij en de kudde die Hij weidt.

Juicht voor de Heer, heel de aarde,
dient de Heer met blijdschap;
komt tot Hem met gejubel. R.

Erkent: de Heer is God,
Hij heeft ons gemaakt, wij behoren Hem toe,
zijn volk en de kudde die Hij weidt. R.

Want goed is de Heer;
voor eeuwig duurt zijn erbarmen,
zijn trouw van geslacht op geslacht. R.

Tweede lezing

Rom. 5, 6-11

Broeders en zusters,
Christus is op de gestelde tijd, toen wij nog zwak waren, voor goddelozen gestorven. Want zelden zal iemand voor een rechtvaardige sterven, al durft misschien iemand het aan om voor een goed mens te sterven. God echter bewijst zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren. Hoeveel te meer zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door zijn Bloed, door Hem worden gered van de toorn. Want werden wij, toen wij nog vijanden waren, met God verzoend door de dood van zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, gered worden door zijn leven. En dat niet alleen: wij roemen ook in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij nu de verzoening hebben ontvangen.

Evangelie

Mt. 9, 36 – 10, 8

In die tijd
werd Jezus bij het zien van de menigte door medelijden voor hen bewogen, omdat ze afgemat waren en terneergeslagen als schapen die geen herder hebben. Toen zei Hij tot zijn leerlingen: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst dat Hij arbeiders uitzendt voor zijn oogst.” Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en alle kwalen te genezen. Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas, en Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes; Filippus en Bartolomeüs, Thomas en Matteüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, Simon de Kananeeër en Judas Iskáriot, die Hem ook heeft overgeleverd. Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: “Gaat niet op weg naar de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; gaat veeleer naar de verloren schapen van het huis Israël. Verkondigt op uw tocht: ‘Het Koninkrijk der hemelen is nabij.’ Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft demonen uit. Om niet hebt gij ontvangen, om niet moet gij geven.”