Lezing
Hymne
1555
Psalmen
981
Lauden
Hymne
1558
Psalmen
983
KS
1559
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
988
KS
990
Vespers
Hymne
691
Psalmen
992
KS
995
Completen
Hymne
682
Psalmen
1201
Onbevlekt Hart van Maria
Aan de verering van het Hart van Jezus, beschouwd als zetel van zijn inwendige vermogens tot kennen en beminnen, is de devotie tot het Hart van Maria verbonden. Haar onbevlekt hart is haar innerlijk, vervuld van de heilige Geest en daarom geheel naar God gekeerd. Uit deze inwendige bron welden gevoelens van dankbare vreugde op om haar uitverkiezing tot moeder van de Verlosser (Lc. 1, 46-47; vgl. I Sam. 2, 1). In dit geestelijk heiligdom bewaarde zij alles wat er gezegd werd over en door haar Zoon en alles wat er met Hem gebeurde, om het bij zichzelf te overwegen, eruit te leven en ernaar te handelen (Lc. 2, 19 en 51; 11, 28; vgl. Lc. 12, 34). Om de onverdeelde toewijding van dit hart aan de zaak van de Verlosser heeft paus Pius XII, temidden van de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog, in 1942 –bij gelegenheid van de 25ste verjaardag van de verschijningen te Fatima– de wereld toegewijd aan het Onbevlekt Hart van Maria.
Eerste lezing
I Kon. 19, 1-21
In die dagen keerde Elia van de berg terug en trof Elisa, de zoon van Safat, terwijl die aan het ploegen was. Twaalf koppels ossen gingen voor hem uit; hijzelf bevond zich bij het twaalfde. Toen Elia langs kwam, wierp hij hem zijn mantel toe. Elisa liet de ossen in de steek, liep Elia achterna en zei: “Laat mij eerst afscheid nemen van mijn vader en moeder; dan zal ik u volgen.” Hij antwoordde hem: “Ga maar weer terug; heb ik je soms tot iets verplicht?” Hierop ging Elisa naar de ossen terug, nam zijn koppel, slachtte het, kookte het vlees op het hout van de jukken en gaf het aan zijn werkvolk te eten. Daarna vertrok hij, volgde Elia en werd zijn dienaar.
Antwoordpsalm
Ps. 16 (15), 1-2a. 5. 7-8. 9-10
R. De Heer is mijn erfdeel, mijn dronk uit de beker.
Behoed mij, God, tot U neem ik mijn toevlucht; Gij zijt mijn Heer, ik erken het. De Heer is mijn erfdeel, mijn dronk uit de beker, Hij heeft mijn lot in zijn hand.
Ik dank de Heer die mij altijd geleid heeft, Hij spreekt ook des nachts in mijn hart. Steeds houd ik mijn ogen gericht op de Heer, ik val niet, want Hij staat naast mij.
Daarom ben ik vrolijk en blij van geest, daarom kan ik rustig gaan slapen. Mijn ziel laat Gij niet aan het dodenrijk over, Gij levert uw dienaar niet uit aan het graf.
Evangelie
Lc. 2, 41-51
Ieder jaar reisden de ouders van Jezus bij gelegenheid van het Paasfeest naar Jeruzalem. En overeenkomstig het gebruik bij dit feest gingen zij opnieuw daarheen toen Hij twaalf jaar geworden was. Maar na afloop van die dagen keerden zij naar huis terug. Het kind Jezus bleef echter in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten. In de mening dat Hij zich bij de karavaan bevond, gingen zij een dagreis ver, en zochten Hem toen onder familieleden en bekenden. Omdat zij Hem niet vonden keerden zij al zoekende naar Jeruzalem terug. Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar Hij te midden van de leraren zat naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde. Allen die Hem hoorden waren verbaasd over zijn inzicht en zijn antwoorden. Toen zijn ouders Hem daar opmerkten stonden zij verslagen. Zijn moeder zei tot Hem: “Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? Denk toch eens met wat een pijn uw vader en ik naar U hebben gezocht.” Maar Hij antwoordde: “Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde. Hij ging met hen mee naar Nazaret en was aan hen onderdanig. Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.





