Lezing
Hymne
1626
Psalmen
821
Lauden
Hymne
1628
Psalmen
824
KS
1629
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
828
KS
830
Vespers
Hymne
1633
Psalmen
832
KS
1635
Completen
Hymne
682
Psalmen
1208
H. Pius van Pietrelcina
Priester
Hij werd in het jaar 1887 geboren in het dorp Pietrelcina nabij Benevento in Italië. Nadat hij bij de orde der Minderbroeders Capucijnen was ingetreden en de priesterwijding had ontvangen, oefende hij met grote herderlijke toewijding zijn ambt vooral uit in het klooster van het stadje San Giovanni Rotondo in Apulië. Hier gaf hij aan de gelovigen geestelijke leiding, verzoende hij de boetelingen en trad hij de zieken en armen met voorzienigheid en zorg tegemoet. Zo diende hij Gods volk in gebed en nederigheid. Nadat hij volledig gelijkvormig was geworden met de gekruisigde Christus, voltooide hij op 23 september 1968 zijn aardse pelgrimstocht.
Eerste lezing
Spr. 30, 5-9
Ieder woord van God is in vuur gelouterd; voor wie op Hem bouwen is Hij een schild. Gij moogt aan zijn woorden niets toevoegen, want dan zou Hij u tot de orde roepen en zoudt ge voor leugenaar staan.
Heer, twee dingen zijn er, waar ik U om bid; weiger ze mij niet, tot mijn dood toe: Houd onwaarheid en leugen ver van mij af en geef mij noch armoe noch rijkdom, maar laat mij eten het brood dat mij is toegemeten. Dan loop ik geen kans, dat ik in mijn overmoed U ga loochenen en ga zeggen: Wie is de Heer? En evenmin zal ik uit armoe gaan stelen en mij aan de naam van mijn God vergrijpen.
Antwoordpsalm
Ps. 119 (118), 29, 72, 89, 101, 104, 163
Refrein: Uw woord, Heer, is een lamp voor mijn voeten.
Gedoog niet dat ik een dwaalweg insla,
maar geef mij uw wet als gids.
De wet uit uw mond is mij meer waard
dan schatten van zilver en goud.
Uw woord, Heer, blijft gelden voor eeuwig,
het staat in de hemel vast.
Van slechte wegen weerhoud ik mijn schreden,
om steeds aan uw woord te voldoen.
Door uw bevelen word ik verstandig
en keer ik mij af van de slechte weg.
Ik haat en verafschuw het onrecht,
uw wet heb ik lief.
Evangelie
Lc. 9, 1-6
In die tijd riep Jezus de twaalf bijeen en gaf hun macht en gezag over alle boze geesten en de kracht om ziekten te genezen. Daarop zond Hij hen uit om het Rijk Gods te verkondigen en genezingen te verrichten. En Hij vermaande hen: “Neemt niets mee voor onderweg: geen stok, geen reiszak, geen voedsel en geen geld; niemand van u mag dubbele kleding hebben. Als ge een huis binnengaat moet ge daar blijven en ge moet vandaar weer afreizen. Als men u ergens niet ontvangt, verlaat dan die stad en schudt het stof van uw voeten, als een getuigenis tegen hen.”
Toen gingen ze op weg en trokken van dorp tot dorp, terwijl zij overal de Blijde Boodschap verkondigden en genezingen verrichten.





