16 september 2026 ✝ Gedachtenis van de heiligen Cornelius en Cyprianus

Lezingen



Heiligen Cornelius en Cyprianus

Evangelielezing

Lezing

Hymne

1626

Psalmen

1144

Lauden

Hymne

1628

Psalmen

1146

KS

1629

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1150

KS

1153

Vespers

Hymne

1633

Psalmen

1154

KS

1635

Completen

Hymne

682

Psalmen

1208

HH. Cornelius en Cyprianus

Paus, Bisschop en Martelaren

Cornelius werd in 251 tot bisschop van de kerk van Rome gewijd. Als zodanig had hij te kampen met het schisma van de Novatianen en werd hij door Cyprianus geholpen om zijn gezag te handhaven. Door keizer Gallus verbannen, stierf hij in 253 bij het huidige Civitavecchia. Zijn lichaam werd naar Rome overgebracht en in de catacombe van Callistus begraven. Cyprianus werd omstreeks 210 te Carthago uit een heidense familie geboren. Na zijn bekering tot het christendom werd hij priester. In 249 werd hij tot bisschop van zijn vaderstad gewijd. Door daad en geschrift toonde hij zich een goede herder in moeilijke tijden. Tijdens de kerkvervolging onder Valerianus werd hij eerst verbannen en op 14 september 258 tot de marteldood veroordeeld.

Eerste lezing

I Kor. 12, 31 – 13, 13

Broeders en zusters,
Gij moet naar de hoogste gaven streven. Maar eerst wijs ik u een weg die verheven is boven alles.
Al spreek ik met de tongen van engelen en mensen: als ik de liefde niet heb ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal. Al heb ik de gave der profetie, al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen verzet: als ik de liefde niet heb ben ik niets. Al deel ik heel mijn bezit uit, al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb baat het mij niets.
De liefde is lankmoedig en goedertieren; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in. Zij geeft niet om de schone schijn, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. Zij verheugt zich niet over onrecht maar vindt haar vreugde in de waarheid. Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij. De liefde vergaat nimmer. De gave der profetie zal verdwijnen, tongen zullen verstommen, de kennis zal een einde nemen. Want ons kennen is stukwerk en stukwerk ons profeteren. Maar wanneer het volmaakte komt heeft het onvolmaakte afgedaan. Toen ik een kind was sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, dacht ik als een kind; nu ik man geworden ben heb ik het kinderlijke afgelegd. Thans zien wij in een spiegel, onduidelijk, maar dan van aangezicht tot aangezicht. Thans ken ik slechts ten dele maar dan zal ik ten volle kennen zoals God mij kent. Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, de grote drie; maar de liefde is de grootste.

Antwoordpsalm

Ps. 33 (32), 2-3, 4-5, 12, 22

Refrein: Zalig het volk dat de Heer heeft als God,
de natie door Hem tot zijn erfdeel gekozen.

Eert dan de Heer met citerspel,
en speelt voor Hem op de harp.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang,
een schoon en schallend refrein.

Oprecht is immers het woord van de Heer
en al wat Hij doet is betrouwbaar.
Recht en gerechtigheid heeft Hij lief,
de aarde is vol van zijn mildheid.

Zalig het volk dat de Heer heeft als God,
de natie door Hem tot zijn erfdeel gekozen.
Geef ons dus, Heer, uw barmhartigheid,
zoals wij op U vertrouwen.

Evangelie

Lc. 7, 31-35

In die tijd zei Jezus: “Waarmee zal Ik de mensen van dit geslacht vergelijken? Op wie gelijken ze? Ze gelijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben een treurlied gezongen en gij hebt niet gehuild. Immers: Johannes de Doper is gekomen, eet geen brood en drinkt geen wijn en gij zegt: hij is van de duivel bezeten! En de Mensenzoon is gekomen, hij eet en drinkt wel en gij zegt: Kijk die gulzigaard en wijndrinker, die vriend van tollenaars en zondaars! Maar de Wijsheid vindt rechtvaardiging bij al haar kinderen.”