Lezing
Hymne
1555
Psalmen
1040
Lauden
Hymne
1456
Psalmen
780
KS
1457
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
1047
KS
1050
Vespers
Hymne
1456
Psalmen
1567
KS
1458
Completen
Hymne
682
Psalmen
1208
O.L.V. van de Rozenkrans
Maria
Deze gedachtenis is door paus Pius V ingevoerd en gesteld op de verjaardag van de zeeslag bij Lepanto (7 oktober 1571), omdat deze overwinning werd toegeschreven aan de hulp van Maria, verkregen door het rozenkransgebed. De liturgische viering van deze dag vestigt onze aandacht op de overweging van de mysteries van Christus; waarin de maagd Maria ons is voorgegaan doordat zij op unieke wijze verbonden was met de menswording, het lijden en sterven, en de glorievolle verrijzenis van Gods Zoon.
Eerste lezing
Hand. 1, 12-14.
Nadat Jezus ten hemel was opgenomen keerden de apostelen van de Olijfberg naar Jeruzalem terug. Deze berg ligt dichtbij Jeruzalem op sabbatsafstand. Daar aangekomen gingen zij naar de bovenzaal waar ze verblijf hielden Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeus en Matteüs, Jakobus, zoon van Alfeus, Simon de IJveraar en Judas, de broer van Jakobus. Zij allen bleven eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders.
Antwoordpsalm
Ps. 117 (116) 1, 2
Refrein: Gaat uit over de hele wereld
en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.
Of: Alleluia.
Looft nu de Heer, alle naties der aarde,
huldigt de Heer, alle volken rondom.
Omdat Hij bij ons zijn goedheid getoond heeft;
de trouw van de Heer houdt in eeuwigheid stand.
Evangelie
Lc. 1, 26-38
In die tijd
werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea met de naam Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die de naam Jozef droeg, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria. Hij trad bij haar binnen en zei: “Wees gegroet, begenadigde, de Heer is met u.” Maar bij dit woord werd zij in verwarring gebracht en vroeg zich af wat voor een groet dit was. En de engel zei haar: “Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult in uw schoot ontvangen en een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David geven en Hij zal koning zijn over het huis van Jakob in eeuwigheid, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.” Maria echter zei tot de engel: “Hoe zal dit gebeuren, omdat ik geen man beken?” De engel antwoordde haar: “De Heilige Geest zal over u neerkomen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat geboren wordt, heilig zijn en Zoon van God genoemd worden. Zie, ook Elisabeth, uw bloedverwante, heeft in haar ouderdom een zoon ontvangen en zij die onvruchtbaar genoemd wordt, is in haar zesde maand, want voor God is geen enkel woord onmogelijk.” En Maria zei: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” En de engel ging van haar heen.





