Lezing
Hymne
716
Psalmen
850
Lauden
Hymne
717
Psalmen
853
KS
856
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
858
KS
860
Vespers
Hymne
718
Psalmen
861
KS
864
Completen
Hymne
682
Psalmen
1211
Eerste lezing
Pred. 3, 1-11
Alles heeft zijn uur en ieder ding dat onder de hemel gebeurt, heeft zijn tijd: er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante weer uit te trekken, een tijd om te doden en een tijd om te helen, een tijd om te slopen en een tijd om te bouwen, een tijd om te schreien en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen, een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen op te rapen, een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzen te onthouden, een tijd om te zoeken en een tijd om verloren te laten gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen, een tijd om stuk te scheuren en een tijd om aaneen te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken, een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd voor de oorlog en een tijd voor de vrede. Wat heeft de werker voor baat bij datgene waarmee hij zich moe maakt? Ik heb de bezigheden bezien, door God aan de mensenkinderen gegeven om zich daar moe mee te maken. Hij heeft alle dingen uitstekend gemaakt, ieder ding voor zijn tijd. Hij heeft in het hart van de mens ook de hele wereld gelegd, maar toch kan die mens het werk niet bevroeden, dat God van het begin tot het einde verricht heeft.
Antwoordpsalm
Ps. 144 (143), 1a, 2abc, 3-4
Refrein: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.
Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots,
mijn steun en mijn burcht,
mijn beschermer en redder,
mijn schild en mijn toevlucht.
Wat is dan een mens, Heer, dat Gij om hem geeft,
een mensenkind, dat Gij U om hem bekommert?
De mens is niet meer dan een vleugje wind,
zijn dagen vergaan als een vluchtige schaduw.
Evangelie
Lc. 9, 18-22
Toen Jezus eens alleen aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem kwamen stelde Hij hun de vraag: “Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?” Zij antwoordden: “Johannes de Doper, anderen zeggen: Elia, en weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan.” Hierop zei Hij tot hen: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” Nu antwoordde Petrus: “De Gezalfde van God.” Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen. “De Mensenzoon – zo sprak Hij – moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar na ter dood te zijn gebracht zal Hij op de derde dag verrijzen.”





