Lezing
Hymne
1691
Psalmen
1692
Lauden
Hymne
1694
Psalmen
1695
KS
1699
Middaggebed
Hymne
1701
Psalmen
1702
KS
1705
Vespers
Hymne
1705
Psalmen
1706
KS
1708
Completen
Hymne
682
Psalmen
1205
Allerzielen
Als dag van gebed voor allen die uit dit leven zijn heengegaan en nog niet voor altijd bij de Heer zijn, gaat Allerzielen terug op het gebruik van middeleeuwse kloostergemeenschappen om de gestorven dierbaren (leden, verwanten en weldoeners) op bijzondere wijze liturgisch te gedenken. Door de vaststelling van deze gedenkdag op 2 november wordt de band van deze herdenking met de Allerheiligenviering beklemtoond. De onverbreekbare eenheid van beide dagen is in de postconciliaire liturgische boeken onderstreept door de bepaling, dat ook wanneer 2 november op zondag valt, de liturgie geheel gewijd is aan de gedachtenis van de overledenen. Terecht vormt het volk Gods in haar leden, zowel in hen die eeuwig leven bij God als in hen die, waar dan ook, nog onderweg zijn, één grote gemeenschap, sterk door banden van verwantschap en liefde in Christus onze Verlosser.
Eerste lezing
Jes. 25, 6a. 7-9
Op die dag
zal de Heer van de hemelse machten op deze berg voor alle volken een maaltijd aanrichten.
Op deze berg zal Hij de sluier verscheuren die ligt over alle volken, en de bedekking die alle naties bedekt. Hij zal de dood voor eeuwig vernietigen en van alle gezichten zal Hij, de Heer God, de tranen afwissen. Hij zal de smaad van zijn volk wegnemen van de gehele aarde. Ja, zo heeft de Heer gesproken. Op die dag zal men zeggen: “Dat is onze God, wij hoopten op Hem, dat Hij ons zou redden. Dat is de Heer, op wie wij steunden: Iaat ons jubelen en ons verheugen om zijn heil.”
Antwoordpsalm
Ps. 23 (22), 1-3a. 3b-4. 5. 6 (R. 1 of 4a)
R. De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.
Of: Al ga ik door dalen van duisternis en dood,
ik vrees geen onheil, want Gij zijt bij mij.
De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij neerliggen in grazige weiden,
Hij voert mij naar rustig water,
daar geeft Hij mij nieuwe kracht. R.
Hij leidt mij op het rechte spoor, omwille van zijn Naam.
Al ga ik door dalen van duisternis en dood,
ik vrees geen onheil, want Gij zijt bij mij:
uw stok en uw staf, zij geven mij moed. R.
Gij dekt voor mij de tafel,
voor de ogen van mijn belagers;
met olie zalft Gij mijn hoofd,
mijn beker vloeit over. R.
Ja, uw goedheid en liefde blijven mij volgen
alle dagen van mijn leven.
Ik zal wonen in het huis van de Heer,
tot in lengte van dagen. R.
iv id=’lezingen’ class=’elementor-menu-anchor’>
Tweede lezing
Rom. 5, 5-11
Broeders en zusters,
De hoop wordt niet beschaamd, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest die ons werd gegeven. Christus is op de gestelde tijd, toen wij nog zwak waren, voor goddelozen gestorven. Want zelden zal iemand voor een rechtvaardige sterven, al durft misschien iemand het aan om voor een goed mens te sterven. God echter bewijst zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren. Hoeveel te meer zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door zijn Bloed, door Hem worden gered van de toorn. Want werden wij, toen wij nog vijanden waren, met God verzoend door de dood van zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, gered worden door zijn leven. En dat niet alleen: wij roemen ook in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij nu de verzoening hebben ontvangen.
Evangelie
Mt. 11, 25-30
In die tijd zei Jezus: “Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en ze hebt geopenbaard aan kinderen. Ja, Vader, want zo heeft het U behaagd. Alles is Mij in handen gegeven door mijn Vader. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, niemand kent de Vader tenzij de Zoon en degene aan wie de Zoon Hem wil openbaren. Komt tot Mij, allen die zwoegt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust schenken. Neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”





