In vorige uitzending werd onze aandacht getrokken op het feit dat Marie de l’incarnation haar autobiografie schrijft op aandringen van haar zoon, die ondertussen benedictijn geworden was. Hij hoopt op die manier balsem te vinden voor de kwetsuur die de scheiding met zijn moeder had teweeggebracht, maar is ook overtuigd in haar geschrift hulp te vinden voor zijn persoonlijke groei in het religieuze leven. Deze autobiografie laat duidelijk uitkomen dat Marie een hoogstaand Frans hanteert, en door haar lectuur bovenmaats geestelijk en humaan gevormd is. De Bijbel leeft zodanig in haar dat zij in de gewone omgang met de mensen met Bijbelcitaten antwoordt; het zijn citaten die zij van de Heilige Geest in het Latijn ontvangt en in het Frans begrijpt of weergeeft. De geestelijke leiding door de jezuïeten brengen het contemplatieve leven in haar tot bloei, wat van haar kant gepaard gaat met een goed begrepen vrijheid van geest. Tegelijk interesseert Marie zich voor alle domeinen van het leven, zelfs voor klimmaat en landbouw, doch vooral voor mystiek, wat haar leven in vereniging met de H. Drie-eenheid tenslotte is. Marie is geen professionele theologe en toch, “de Theresia van Avila van de Nieuwe Wereld”, zoals Bossuet schreef.
In deze uitzending volgt het tweede deel van de geestelijke inleiding: Marie ziet zich in haar autobiografie verplicht om het onuitsprekelijke te verwoorden. Dat is minder aan haar bescheidenheid te wijten dan aan de radicale onmogelijkheid om in de tijd te beschrijven wat aan de eeuwigheid toebehoort: “Ik zag het mysterie in één ogenblik maar het vraagt tijd om erover te spreken.”




