
Het Doopsel – Ef 2, 1-10
En gij die dood waart door uw afdwalingen en uw zonden, waarin gij eertijds hebt geleefd volgens de god van deze wereld, de heerser over

En gij die dood waart door uw afdwalingen en uw zonden, waarin gij eertijds hebt geleefd volgens de god van deze wereld, de heerser over

Er was een vrouw bij die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed; zij had veel te verduren gehad van een hele reeks dokters en haar
Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles waarmee ze toegerust zijn. Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht
En God sprak: `Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan u, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij zullen u tot

God sprak: `Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.’ Zo gebeurde het. God

God sprak: `Het water moet wemelen van dieren, en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.’Â Toen schiep God de grote gedrochten

God sprak: `Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, zowel voor de

God sprak: `Het water onder de hemel moet naar een plaats samenÂvloeien, zodat het droge zichtÂbaar wordt.’ Zo gebeurde het. Het droge noemde God land,

God sprak: `Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.’Â En God maakte het uitspansel; Hij

En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij