18 september 2026 ✝ Vrijdag in de 24e week door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

716

Psalmen

1175

Lauden

Hymne

717

Psalmen

1177

KS

1180

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1181

KS

1184

Vespers

Hymne

718

Psalmen

1185

KS

1187

Completen

Hymne

682

Psalmen

1211

Eerste lezing

I Kor. 15, 12-20

Broeders en zusters,
Als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgewekt, hoe kunnen dan sommigen onder u beweren dat er geen opstanding van de doden bestaat? Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet verrezen. En als Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof zonder grond. Dan volgt zelfs dat wij over God een vals getuigenis hebben afgelegd; want dan hebben wij tegen God in getuigd dat Hij Christus ten leven heeft gewekt, wat Hij niet gedaan heeft indien, zoals zij beweren de doden niet verrijzen. Want als de doden niet verrijzen, is ook Christus niet verrezen, en als Christus niet is verrezen is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn verloren. Indien wij enkel voor dit leven, onze hoop op Christus hebben gevestigd zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.
Maar zo is het niet! Christus is opgewekt uit de doden als eersteling van hen die ontslapen zijn.

Antwoordpsalm

Ps. 17 (16), 1, 6-7, 8b, 15

Refrein: Uw aanblik, Heer, verzadigt mij als ik ontwaak.

Luister, Heer, want mijn zaak is rechtvaardig,
let op mijn luid geroep.
Wil mijn gebed aanhoren;
mijn lippen bedriegen U niet.

Nu roep ik U aan, want Gij zult mij verhoren,
wend dus uw oor naar mij, hoor naar mijn stem.
Toon mij de grootheid van uw erbarmen,
redder van ieder die vlucht in uw hand.

Verberg mij onder de schuts van uw vleugels,
want ik ben rechtschapen en mag U aanschouwen;
uw aanblik verzadigt mij als ik ontwaak.

Evangelie

Lc. 8, 1-3

In die tijd trok Jezus predikend rond door stad en dorp en verkondigde de Blijde Boodschap van het Rijk Gods. De twaalf vergezelden Hem en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten verlost waren: Maria, die Magdalena wordt genoemd, uit wie zeven duivels waren weggegaan, Johanna, de vrouw van Herodes’ rentmeester Chuzas, Susanna en vele anderen, die uit eigen middelen voor hen zorgden.