Lezing
Hymne
716
Psalmen
962
Lauden
Hymne
717
Psalmen
965
KS
968
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
969
KS
972
Vespers
Hymne
718
Psalmen
973
KS
975
Completen
Hymne
682
Psalmen
1211
Eerste lezing
I Kor. 4, 1-5
Broeders en zusters,
Zo moet men ons beschouwen: als helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen. Welnu, van een beheerder wordt geëist dat hij betrouwbaar blijkt. Mij is echter heel weinig gelegen aan uw oordeel of dat van enige menselijke instantie. Ik oordeel niet eens over mijzelf. Want al ben ik mij van niets bewust, daarom ga ik nog niet vrijuit. De Heer is het die over mij oordeelt. Oordeelt dus niet voorbarig voordat de Heer gekomen is. Hij zal wat in het duister verborgen is aan het licht brengen en openbaar maken wat er in de harten omgaat. Dan zal ieder van God de lof ontvangen die hem toekomt.
Antwoordpsalm
Ps. 37 (36), 3-4, 5-6, 27-28, 39-40
Refrein: Het heil van de vromen komt van de Heer.
Vertrouw op de Heer en doe wat goed is,
dan zult gij veilig uw land bewonen.
Zoek uw geluk bij de Heer,
Hij geeft wat uw hart begeert.
Vertrouw aan de Heer uw levensweg toe,
verlaat u op Hem, Hij zal er voor zorgen.
Uw eerzaamheid zal als de dageraad stralen,
uw recht als de middagzon.
Blijf ver van het kwaad en doe wat goed is,
dan moogt ge voor eeuwig hier wonen;
want God bemint de gerechtigheid,
verlaat zijn getrouwen niet.
Het heil van de vromen komt van de Heer;
Hij is hun toevlucht in tijden van kwelling.
De Heer staat hen bij en bevrijdt hen,
Hij redt die zich tot Hem wenden.
Evangelie
Lc. 5, 33-39
In die tijd zeiden de schriftgeleerden en Farizeeën tot Jezus: “De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en verrichten gebeden; die van de Farizeeën doen dat ook, maar de uwen eten en drinken.” Jezus antwoordde: “Kunt gij soms de vrienden van de bruidegom laten vasten zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen en dan, in die tijd, zullen ze vasten.” Hij gaf hun ook nog een gelijkenis: “Niemand scheurt een lap van een nieuw kleed om daarmee een oud te verstellen; anders verscheurt hij immers niet alleen het nieuwe kleed, maar de lap uit het nieuwe past bovendien niet bij het oude. En niemand doet jonge wijn in oude zakken; anders doet de jonge wijn de zakken bersten, hij loopt eruit en de zakken gaan verloren. Maar jonge wijn moet men in nieuwe zakken doen. En niemand die oude wijn gedronken heeft wenst jonge; hij zal zeggen: de oude is best.”





