3 september 2026 ✝ Gedachtenis van de heilige Gregorius de Grote

Lezingen



Heilige Gregorius de Grote

Evangelielezing

Lezing

Hymne

1626

Psalmen

947

Lauden

Hymne

1628

Psalmen

950

KS

1629

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

954

KS

957

Vespers

Hymne

1633

Psalmen

958

KS

1635

Completen

Hymne

682

Psalmen

1209

H. Gregorius de Grote

Paus en Kerkleraar

Gregorius werd omstreeks 540 te Rome geboren. Reeds vroeg kwam hij in de Romeinse magistratuur en werd stadsprefekt. Later trad hij in het klooster en werd hij diaken gewijd. Gedurende enige tijd was hij ook pauselijk gezant te Constantinopel. Op 3 september 590 werd hij tot de pauselijke waardigheid verheven. In zijn bestuur, in zijn zorg voor de armen en voor de verbreiding en bevestiging van het geloof toonde hij zich een ware herder. Veel schreef hij over het christelijk leven en andere theologische onderwerpen. Hij stierf op 12 maart 604.

Eerste lezing

I Kor. 3, 18-23

Broeders en zusters,
Laat niemand zichzelf iets wijs maken. Als iemand onder u wijs meent te zijn – wijs namelijk volgens de normen van deze tijd die voorbijgaat – dan moet hij dwaas worden om de ware wijsheid te leren. De wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God. Er staat immers geschreven: “Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid” en elders: “De Heer kent de gedachten van de wijzen, Hij weet hoe waardeloos ze zijn.” Laat daarom niemand zijn heil zoeken bij mensen. Want alles is het uwe, of het nu Paulus is of Apollos of Kefas, wereld, leven of dood, heden of toekomst, alles is van u, maar gij zijt van Christus en Christus is van God.

Antwoordpsalm

Ps. 24 (23), 1-2, 3-4ab, 5-6

Refrein: Aan God hoort de aarde en al wat er op is.

Aan God hoort de aarde en al wat er op is,
de aardschijf en al wat daar woont;
want Hij heeft haar op het water gegrondvest,
haar vastgelegd op de zee.

Wie zal beklimmen de berg van de Heer,
wie in zijn heiligdom staan?
Die rein is van handen en zuiver van hart,
zijn zinnen niet zet op wat kwaad is.

Hij zal door de Heer gezegend worden,
beloond door God, zijn verlosser.
Zo doet het geslacht dat zich richt tot Hem,
dat staat voor het aanschijn van Jakobs God.

Evangelie

Lc. 5, 1-11

Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennésaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. Toen Hij zijn toespraak had geëindigd zei Hij tot Simon: “Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.” Simon antwoordde: “Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen; maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.” Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren vulden zij de beide boten tot zinkens toe. Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: “Heer, ga van mij weg want ik ben een zondig mens.” Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en van allen die bij hem waren, vanwege de vangst die ze gedaan hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.” Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen.