Lezing
Hymne
704
Psalmen
914
Lauden
Hymne
705
Psalmen
918
KS
921
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
922
KS
924
Vespers
Hymne
706
Psalmen
926
KS
928
Completen
Hymne
682
Psalmen
1206
Eerste lezing
Hos. 8, 4-7. 11-13
Zo spreekt de Heer: āDe kinderen van IsraĆ«l hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om; zij hebben zich leiders gekozen, maar buiten mijn weten. Van hun zilver en goud maakten zij afgodsbeelden, goed om stukgeslagen te worden. Verwijder toch uw stierebeeld, Samaria! Mijn toorn ontbrandt tegen hen. Hoelang zal het nog duren? Zijn zij dan niet tot onschuld in staat? Ja, die afgod komt uit IsraĆ«l, door een kunstenaar daar gemaakt, maar het is geen god. Ja, het zal versplinterd worden, dat stierebeeld van Samaria! Ja, zij zaaien wind, maar storm zullen zij oogsten; de halmen waar geen groei in zit geven geen meel, en al gaven zij het wel, vreemden vraten het op. Ja, Efraim heeft zijn altaren talrijk gemaakt, maar ze dienden om te zondigen, altaren om te zondigen! Al schrijf Ik mijn wet ook nog zo vaak aan hem voor, zij geldt als de wet van een vreemde. Zij brengen offers naar hun eigen welbehagen en eten van het offervlees, maar de Heer aanvaardt die niet. Nu herinnert Hij zich hun schuld en straft Hij hun zonden: zij gaan naar Egypte terug!ā
Antwoordpsalm
Ps. 115 (113B), 3-4, 5-6, 7-8, 9-10
Refrein: Israƫls volk vertrouwt op de Heer.
Of : Alleluia.
De God van Israƫl is in de hemel,
Hij handelt zoals Hij verkiest.
Hun afgodsbeelden zijn zilver en goud,
door mensenhanden vervaardigd.
Zij hebben een mond, maar zij spreken niet,
zij hebben ogen en zien niet;
zij hebben oren, maar horen niet,
zij hebben een neus, maar zij ruiken niet.
Zij hebben handen en tasten niet,
zij hebben voeten en lopen niet,
er komt geen geluid uit hun keel.
Al even onnozel is hij die ze maakt,
en die nu vertrouwt op hun macht.
Israƫls volk vertrouwt op de Heer,
Hij is hun helper en schild.
AƤrons stam vertrouwt op de Heer,
Hij is hun helper en schild.
Evangelie
Mt. 9, 32-38
In die tijd bracht men Jezus een stomme die door de duivel bezeten was. Zodra de duivel was uitgedreven begon de stomme te spreken. De mensen zeiden vol verbazing: āNog nooit heeft men in IsraĆ«l zó iets gezien.ā Maar de FarizeeĆ«n zeiden: āDe vorst der duivels stelt Hem in staat de duivels uit te drijven.ā Jezus ging rond door alle steden en dorpen, waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen genas. Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: āDe oogst is wel groot maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.ā





