Lezing
Hymne
704
Psalmen
806
Lauden
Hymne
705
Psalmen
809
KS
831
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
814
KS
8016
Vespers
Hymne
706
Psalmen
817
KS
820
Completen
Hymne
682
Psalmen
1206
Eerste lezing
Am. 3, 1-8; 4, 11-12
Uit de Profeet Amos.
Hoort het woord dat de Heer spreekt over u, de zonen van Israël, over heel het geslacht dat Hij uit Egypte heeft geleid: “U alleen heb Ik uitverkoren onder al de geslachten der aarde; daarom roep Ik u ook ter verantwoording voor al uw ongerechtigheden! Gaan er ooit twee mensen samen op weg zonder dat zij elkaar gevonden hebben? Brult ooit een leeuw in het woud zonder dat hij een prooi heeft? Of gromt er een leeuwenjong in zijn hol zonder dat het iets te pakken heeft gekregen? Schiet een vogel omlaag naar de knip op de grond zonder dat daar een lokaas ligt? Of wordt de knip van de grond opgenomen zonder dat er iets gevangen is? Wordt in een stad de bazuin gestoken zonder dat de bewoners beven? Gebeurt er ooit in een stad een ramp zonder dat de Heer daar de hand in heeft? Zo ook doet God de Heer nooit iets zonder dat Hij zijn besluit onthult aan zijn dienaars, de profeten. De leeuw heeft gebruld: wie zou er niet vrezen? God de Heer heeft gesproken: wie zou er niet profeteren?”
En verder spreekt de Heer: “Ik heb u ondersteboven gekeerd, even geweldig als Sodom en Gomorra; als een geblakerd stuk hout zijt gij geworden dat aan de brand ontrukt is, maar gij hebt u niet tot Mij bekeerd. Daarom zal Ik zo met u handelen, Israël. En omdat Ik zo met u zal handelen, moet gij, Israël, u gereedmaken
Antwoordpsalm
Ps. 5, 5-6, 7, 8
Refrein:
Geleid mij, Heer, langs veilige wegen.
Reeds vroeg in de morgen hoort Gij mijn stem,
reeds vroeg mijn hoop en verlangen.
Gij zijt toch geen God die onrecht verdraagt,
bij U kan geen booswicht vertoeven.
Geen zondaar kan U in de ogen zien,
Gij haat hen die onrecht bedrijven.
Die leugentaal spreken vernietigt Gij,
Gij gruwt van bloeddorst en wreedheid.
Maar ik, door uw rijke genade,
mag binnengaan in uw huis.
Ik werp mij neer voor uw tempel
in eerbied voor U, mijn Heer.st
Evangelie
Mt. 8, 23-27
Toen Jezus in de boot stapte volgden zijn leerlingen Hem. Opeens raakte de zee in hevige beroering zodat de golven over de boot sloegen; Hij echter lag te slapen. Zij gingen naar Hem toe en maakten Hem wakker met de woorden: “Heer, red ons, wij vergaan!” Hij sprak tot hen: “Waarom zijt gij bang, kleingelovigen?” Dan stond Hij op, richtte zich met een dwingend woord tot de winden en de zee, en het water werd volmaakt stil. De mensen stonden verbaasd en zeiden: “Wat voor iemand is dat toch, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen?”





