28 juni 2026 ✝ Dertiende zondag door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

692

Psalmen

776

Lauden

Hymne

696

Psalmen

780

KS

783

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

874

KS

786

Vespers

Hymne

1335

Psalmen

1575

KS

1330

Completen

Hymne

682

Psalmen

1203

Eerste lezing

II Kon. 4, 8-11. 14-16a

Op zekere dag kwam Elisa langs Sunem. Daar woonde een welgestelde vrouw, die bij hem aandrong bij haar brood te komen eten. En iedere keer dat hij in het vervolg daar langs kwam, sloeg hij af en ging hij er eten. Zij zei tot haar man: “Luister eens, ik heb gemerkt dat hij die vaak bij ons langs komt, een heilige man Gods is. Laten we een kleine bovenkamer voor hem maken met muren en er een bed, een tafel, een stoel en een lamp in zetten; als hij dan bij ons aankomt, kan hij daar verblijven.” Toen Elisa er dus op zekere dag weer kwam, betrok hij de bovenkamer en legde er zich te ruste. Hij zei aan Gecházi, zijn knecht: “Wat zou ze willen dat ik voor haar doe?” Gecházi antwoordde: “Zij heeft helaas geen zoon en haar man is oud.” Toen zei Elisa: “Roep haar.” Hij riep haar en zij bleef in de deuropening staan. En Elisa zei tot haar: “Volgend jaar om deze tijd zult gij een zoon omhelzen.”

Antwoordpsalm

Ps. 89 (88), 2-3. 16-17. 18-19 (R. 2a)

R. De gunsten van de Heer wil ik voor eeuwig bezingen.

De gunsten van de Heer wil ik voor eeuwig bezingen,
van uw trouw getuigen van geslacht op geslacht.
Gij hebt het gezegd: “Mijn gunst houdt eeuwig stand,
mijn trouw is in de hemel gevestigd.” R.

Gelukkig het volk dat het feestgeschal kent:
zij leven, Heer, in het licht van uw gelaat.
Uw Naam bejubelen zij de hele dag,
zij richten zich op in uw gerechtigheid. R.

Gij zijt de glans van hun macht;
door uw gunst richt Gij onze hoorn op.
Van de Heer is ons schild,
van de Heilige van Israël, onze koning. R.

Tweede lezing

Rom. 6, 3-4. 8-11

Broeders en zusters,
Wij allen die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood. Wij zijn immers met Hem begraven door de doop in zijn dood, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus is opgewekt uit de doden door de heerlijkheid van de Vader. Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven; want wij weten dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem. Want de dood die Hij stierf, stierf Hij voor de zonde, eens voor altijd; en zijn leven leeft Hij voor God. Zo moet ook gij uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.

Evangelie

Mt. 10, 37-42

In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen:
“Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; en wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden. Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft. Wie een profeet opneemt, omdat het een profeet is, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige opneemt, omdat het een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen. En wie een van deze kleinen te drinken geeft — al was het maar een beker koud water — omdat hij mijn leerling is, amen, Ik zeg u: hij zal zijn loon zeker niet verliezen.”