Lezing
Hymne
1571
Psalmen
1115
Lauden
Hymne
Eigen
Psalmen
1118
KS
1159
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
1122
KS
1124
Vespers
Hymne
1565
Psalmen
1126
KS
1569
Completen
Hymne
682
Psalmen
1205
Heilige Maagd Maria, Moeder van de Kerk
Aan de heilige Maagd Maria is de titel toegekend van Moeder van de Kerk, omdat zij Christus, het Hoofd van de Kerk, heeft voortgebracht, en omdat zij de Moeder van de verlosten is geworden, voordat haar Zoon op het kruis de geest gaf. De heilige paus Paulus VI bevestigde deze titel plechtig in de toespraak tot de vaders van het Tweede Vaticaans Concilie op 21 november 1964, en bepaalde dat ‘heel het christenvolk met deze allerzoetste naam voortaan aan de Moeder van God nog meer eer’ moest brengen.
Eerste lezing
Gen. 3, 9-15. 20
Nadat Adam in de tuin van Eden van de boom gegeten had riep God de Heer de mens en vroeg hem: “Waar zijt gij?” Hij antwoordde: “Ik hoorde uw donder in de tuin, en toen werd ik bang, omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen.” Maar God de Heer zei: “Wie heeft u verteld dat gij naakt zijt? Hebt ge soms gegeten van de boom die Ik u verboden heb?” De mens antwoordde: “De vrouw die Gij mij als gezellin gegeven hebt, zij heeft mij van die boom gegeven, en toen heb ik gegeten.” Daarop vroeg God de Heer aan de vrouw: “Hoe hebt ge dat kunnen doen?” De vrouw zei: “De slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten.” God de Heer zei toen tot de slang: “Omdat ge dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt, onder alle tamme dieren en onder alle wilde beesten! Op uw buik zult ge kruipen en stof zult ge vreten, alle dagen van uw leven! Vijandschap sticht Ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Dit zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel.” De mens noemde zijn vrouw Eva, want zij is de moeder geworden van alle levenden.
Antwoordpsalm
PS. 87 (86), 1-2. 3 en 5. 6-7 (R. 3)
R. Hoe groots is het wat er van u wordt gezegd, stad van God!
Zijn stad op de heilige bergen:
de Heer heeft haar lief;
de poorten van Sion veel meer
dan alle tenten van Jakob. R.
Hoe groots is het wat er van u wordt gezegd,
Jeruzalem, stad van God!
Zij zullen dan zeggen: ‘Mijn moeder is zij,
uit haar zijn wij allen geboren.’
En Hij zal het zelf verklaren,
de Allerhoogste, de Heer. R.
Hij zal in het boek der volkeren schrijven:
“Ook dezen horen daar thuis.”
Dan zullen zij dansen en zingen:
“De bron van ons leven zijt Gij!” R.
Evangelie
Joh. 19, 25-34
In die tijd stonden bij het kruis van Jezus: zijn moeder en de zuster van zijn moeder, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en bij haar staande de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: “Vrouw, zie uw zoon.” Vervolgens zei Hij tot de leerling: “Zie uw moeder.” En van dat uur af nam de leerling haar bij zich op. Hierna, wetend dat nu alles was volbracht, opdat de Schrift zou worden volbracht, zei Jezus: “Ik heb dorst.” Er stond daar een kruik vol zure wijn. Ze staken dus een spons vol zure wijn op een hysopstengel, en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus dan van de zure wijn genomen had, zei Hij: “Het is volbracht”, en nadat Hij het hoofd had gebogen, gaf Hij de geest. Aangezien het voorbereidingsdag was en opdat de lichamen niet aan het kruis bleven op sabbat – want het was de grote dag van die sabbat – vroegen de Joden aan Pilatus dat van hen de benen werden gebroken en zij zouden worden weggehaald. Daarop kwamen de soldaten en braken de benen van de eerste en van de andere die met Hem was gekruisigd. Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was, braken zij zijn benen niet; maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans en onmiddellijk kwam er bloed en water uit.





