25 juni 2026 ✝ Donderdag in de 12e week door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

711

Psalmen

1158

Lauden

Hymne

713

Psalmen

1160

KS

1163

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1164

KS

1166

Vespers

Hymne

714

Psalmen

1168

KS

1170

Completen

Hymne

682

Psalmen

1209

Eerste lezing

II Kon. 24, 8-17

Jojakin was achttien jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde drie jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Nechusta en was een dochter van Elnatan, afkomstig uit Jeruzalem. Hij deed wat de Heer mishaagde, juist zoals zijn vader gedaan had. In die tijd trokken de veldheren van Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en sloegen het beleg voor de stad. Tijdens het beleg verscheen Nebukadnessar, de koning van Babel, zelf voor de stad. Toen gaf koning Jojakin van Juda met zijn moeder, zijn hovelingen, zijn hoge ambtenaren en kamerheren zich over aan de koning van Babel. En deze nam hem gevangen. Het was in het achtste jaar van zijn regering. Nebukadnessar sleepte alle schatten van de tempel van de Heer en van het koninklijk paleis uit Jeruzalem weg en haalde het goud af van alle voorwerpen die koning Salomo van Israël in de tempel van de Heer had laten maken, juist zoals de Heer voorzegd had. Uit Jeruzalem voerde hij alle hoge ambtenaren en alle krijgers, een konvooi van tienduizend man, met alle smeden en slotenmakers, in ballingschap weg; niemand bleef er over dan alleen de armsten van het land.

Antwoordpsalm

Ps. 79 (78), 1-2, 3-5, 8, 9

Refrein:
God van ons heil, om uw Naam, bevrijd ons.

God, heidenen zijn in uw erfdeel gedrongen,
zij hebben uw heilige tempel ontwijd
en maakten uw stad tot een puinhoop.
Uw dienaren hebben zij omgebracht,
hun lijken liggen als aas voor de vogels,
de wilde dieren eten hun vlees.

Als water vloeide hun bloed van de muren
en niemand was er die hen begroef.
Wij wekken de spotlust van onze buren,
die rondom ons wonen smalen op ons.
Hoelang nog, Heer, blijft Gij eeuwig verbolgen
en laat Gij uw gramschap branden als vuur?

Laat ons niet boeten voor vroegere zonden,
kom met uw barmhartigheid ons tegemoet,
want wij zijn maar zwakke mensen.

Ach, help ons, God van ons heil, om uw Naam,
bevrijd ons, vergeef onze zonden.

Evangelie

Mt. 7, 21-29

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is. Velen zullen op die dag tot Mij zeggen Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd en hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven en in uw Naam veel wonderen gedaan? Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet! Ieder nu die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan men vergelijken met een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde. De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij stortten zich op dat huis, maar het viel niet in, want het stond gegrondvest op de rots. Maar ieder die deze woorden van Mij hoort doch er niet naar.handelt, kan men vergelijken met een dwaas die zijn huis bouwde op het zand. De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij beukten dat huis, zodat het volledig verwoest werd.” Toen Jezus deze toespraak geëindigd had was het volk buiten zichzelf van verbazing over zijn leer. Want Hij onderrichtte niet zoals hun schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit.