21 augustus 2026 ✝ Gedachtenis van de heilige Pius X

Lezingen



Heilige Pius X

Evangelielezing

Lezing

Hymne

1626

Psalmen

1175

Lauden

Hymne

1628

Psalmen

1177

KS

1629

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1181

KS

1184

Vespers

Hymne

1633

Psalmen

1185

KS

1635

Completen

Hymne

682

Psalmen

1211

H. Pius X

Paus

Giuseppe Sarto werd in 1835 in het dorp Riese (in het gebied van Venetië) geboren. Na zijn priesterwijding was hij ijverig in verschillende parochies werkzaam. Achtereenvolgens werd hij bisschop van Mantua en patriarch van Venetië. In 1903 werd hij tot paus gekozen. Overeenkomstig zijn devies Instaurare omnia in Christo (Alles hernieuwen in Christus) leefde hij in eenvoud en onthechting, en toonde hij een grote geestkracht. Hierdoor was hij in staat het christelijk leven onder de gelovigen te bevorderen en krachtig op te treden tegen de dwalingen. Hij stierf op 20 augustus 1914.

Eerste lezing

Ez. 37, 1-14

In die dagen legde de hand des Heren zich op mij: in een sterke wind nam Hij mij op en Hij plaatste mij midden in een vallei en deze vallei was vol beenderen. In alle richtingen geleidde Hij mij langs de beenderen: het was een ontzaglijke hoeveelheid en heel de oppervlakte van de vallei was ermee bedekt; droog waren ze en dor. Toen sprak de Heer tot mij: “Mensenkind, kunnen die beenderen tot leven gewekt worden?” Ik antwoordde: “Heer God, U weet het.” Daarop beval Hij mij: “Profeteer dan over die beenderen en spreek hun toe als volgt: Dorre beenderen, luistert naar het woord des Heren. Zo spreekt God de Heer: Beenderen, hier aanwezig: Ik ga mijn geest over u brengen en gij zult leven! Ik leg weer spieren over u, met vlees bedek Ik u en Ik span een huid over u heen en mijn geest stort Ik uit over u en gij zult leven.” En ik profeteerde precies zoals mij bevolen was en terwijl ik profeteerde hoorde ik een geruis en het was heel sterk: de beenderen bewogen zich naar elkaar toe juist zoals ze bij elkaar hoorden. En voor mijn ogen bedekten de beenderen zich met spieren en vlees en er spande zich een huid overheen; maar er was nog geen geest in. En opnieuw sprak de Heer tot mij: “Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind, en spreek tot de geest: Zo spreekt de Heer God: Kom, geest, van de vier windstreken en blaas over deze gevallenen opdat ze weer leven.” En ik profeteerde zoals Hij bevolen had: en de geest blies over de gevallenen en ze begonnen te leven; ze richtten zich op hun benen op: een leger was het, onafzienbaar groot! Hij sprak tot mij: “Mensenkind, deze beenderen zijn het huis van Israël. Ze zeggen alsmaar: Onze beenderen zijn verdord, onze hoop vervlogen, het is met ons gedaan! Profeteer daarom en spreek tot hen: Zo spreekt God de Heer: Ik ga uw graven openen; in massa’s zal Ik u uit uw graven wegvoeren en u brengen naar de grond van Israël. En wanneer Ik dan uw graven geopend heb en u in massa’s zal hebben weggevoerd uit uw graven zult gij weten dat Ik de Heer ben. Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven; Ik zal u vestigen op uw eigen grond en gij zult weten dat Ik de Heer ben: Wat Ik zeg, dat volbreng Ik!” Zo luidt de godsspraak des Heren.

Antwoordpsalm

Ps. 107 (106), 2-3. 4-5. 6-7. 8-9

Refrein: Brengt dank aan de Heer, want Hij is goedgunstig,
barmhartig is Hij altijd.
Of: Alleluia.

Laat ieder dat zeggen die God heeft verlost,
die Hij uit de hand van de vijand bevrijdde;
of die Hij terugbracht uit verre landen,
van oost of west, uit het noorden of zuiden.

Zij doolden rond in de barre woestijn,
ze vonden geen weg naar bewoonbare plaatsen.
Ze hadden honger en leden dorst;
ze waren de dood nabij.

Toen riepen zij tot de Heer in hun nood
en Hij bevrijdde hen uit hun ellende.
Hij leidde hen langs een veilige weg,
zodat ze een woonplaats vonden.

Zij moeten de Heer voor zijn goedheid danken,
voor al zijn weldaden jegens de mensen.
Omdat Hij de dorstige heeft gelaafd,
de hongerige verzadigd.

Evangelie

Mt. 22, 34-40

In die tijd toen de Farizeeën vernamen dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had, kwamen zij bijeen en een van hen, een wetgeleerde, vroeg Jezus om Hem op de proef te stellen: “Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?” Hij antwoordde hem: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.”