12 september 2026 ✝ Zaterdag in de 23e week door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

720

Psalmen

1085

Lauden

Hymne

721

Psalmen

1089

KS

1091

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1092

KS

1095

Vespers

Hymne

691

Psalmen

1096

KS

1098

Completen

Hymne

682

Psalmen

1201

Eerste lezing

I Kor. 10, 14-22

Broeders en zusters,
Houdt u ver van alle afgoderij. Ik spreek toch tot verstandige mensen; vormt gerust uw eigen oordeel over wat ik ga zeggen. Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het bloed van Christus? Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het brood één is vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood. Kijkt ook naar het Joodse volk treden zij die de offers nuttigen niet in gemeenschap met het altaar?
Ik beweer niet dat het aan de afgoden geofferde vlees als zodanig iets bijzonders is of dat er afgoden bestaan. Maar wat de heidenen offeren offeren zij aan boze geesten en niet aan God, en ik wil niet dat gij gemeenschap aangaat met de boze geesten. Gij kunt niet de beker des Heren drinken én de beker der demonen; gij kunt niet deel hebben aan de tafel des Heren én aan de tafel der demonen. Of willen wij de Heer tot naijver prikkelen?ntekst

Antwoordpsalm

Ps. 116 (115), 12-13, 17-18

Refrein: Met offers zal ik U loven, Heer.

Hoe kan ik mijn dank betuigen
voor al wat de Heer mij gaf?
Ik hef de offerbeker,
de Naam van de Heer roep ik aan.

Met offers zal ik U loven,
de Naam van de Heer roep ik aan.
Ik zal mijn geloften volbrengen
waar heel zijn volk het ziet.

Evangelie

Lc. 6, 43-49

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Er bestaat geen goede boom die zieke vruchten voortbrengt en evenmin een zieke boom die goede vruchten voortbrengt. Iedere boom immers wordt gekend aan zijn vruchten; men plukt geen vijgen van dorens, men oogst geen druiven van een braamstruik. Een goed mens brengt het goede te voorschijn uit de schat van goedheid in zijn hart; maar een slechte brengt het slechte te voorschijn uit zijn schat van slechtheid; want zijn mond spreekt waar zijn hart van overloopt. Waarom toch noemt gij Mij: Heer, Heer! als ge niet doet wat Ik zeg? Ieder die tot Mij komt, naar mijn woorden luistert en er naar handelt, Ik zal u duidelijk maken op wie hij gelijkt. Hij gelijkt op de man die bij het bouwen van zijn huis diep had gegraven en het fundament had gelegd op de rotsgrond. Toen de stortvloed kwam, beukte de storm op dat huis; maar de storm had niet de kracht om het te doen wankelen omdat het zo goed gebouwd was. Wie luistert maar niet doet, gelijkt op de man die zijn huis op de grond bouwde, zonder fundering. De storm beukte erop en ogenblikkelijk stortte het in en de verwoesting van dat huis was volkomen.”