12 januari 2026 ✝ Maandag in de 1e week door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

700

Psalmen

792

Lauden

Hymne

701

Psalmen

794

KS

797

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

799

KS

801

Vespers

Hymne

703

Psalmen

803

KS

805

Completen

Hymne

682

Psalmen

1205

Eerste lezing

1 Sam. 1, 1a. 2-8

Begin van het eerste Boek Samuël.
Er was eens een man uit het bergland van Efraïm, een Sufiet uit Ramataïm, die Elkana heette. Elkana had twee vrouwen; de ene heette Hanna, de andere Peninna. Peninna had kinderen, Hanna niet. Elkana ging jaarlijks naar Silo om zich neer te buigen voor God, de Heer van de hemelse machten en Hem offers te brengen. De priesters van de Heer in Silo waren toen Chofni en Pinechas, twee zonen van Eli. Wanneer Elkana dan zijn offer opdroeg, gaf hij zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters ieder een deel, maar aan Hanna gaf hij nog een extra deel, want Hanna was zijn lievelingsvrouw, hoewel de Heer haar schoot gesloten hield. Haar mededingster echter krenkte haar telkens weer en hoonde haar, omdat de Heer haar schoot gesloten hield. En ieder jaar opnieuw, als Hanna naar de tempel van de Heer opging, krenkte Peninna haar; dan schreide Hanna en wilde niet meer eten. En Elkana vroeg haar dan: “Hanna, waarom schrei je? Waarom eet je niet en ben je zo bedroefd? Ben ik voor jou niet meer waard dan tien zonen?”

Antwoordpsalm

Ps. 116 (115), 12-13, 14-17, 18-19

Refrein:
Met offers zal ik U loven, Heer.
Of: Alleluia.

Hoe kan ik mijn dank betuigen
voor al wat de Heer mij gaf ?
Ik hef de offerbeker,
de Naam van de Heer roep ik aan.

Ik zal mijn geloften volbrengen
waar heel zijn volk het ziet.
Want kostbaar is in zijn ogen
het leven van wie Hem vereert.

O Heer, ik ben uw dienaar,
uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd,
Gij hebt mijn boeien geslaakt.

Met offers zal ik U loven,
de Naam van de Heer roep ik aan.

Ik zal mijn geloften volbrengen
waar heel zijn volk het ziet,
op ’t voorplein van uw tempel,
in uw Jeruzalem.

Evangelie

Mc. 1, 14-20

Nadat Johannes de Doper was gevangen genomen ging Jezus naar Galilea en verkondigde er Gods Blijde Boodschap. Hij zei: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.”
Toen Jezus eens langs het meer van Galilea liep zag Hij Simon en de broer van Simon, Andreas, terwijl zij bezig waren het net uit te werpen in het meer; zij waren namelijk vissers. Jezus sprak tot hen: “Komt, volgt Mij; Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt.” Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.
Iets verder gaande zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes; ook zij waren in de boot bezig met hun netten klaar te maken. Onmiddellijk riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners in de boot achter en volgden Hem.