10 september 2026 ✝ Donderdag in de 23e week door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

711

Psalmen

1055

Lauden

Hymne

713

Psalmen

1058

KS

1061

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1062

KS

1065

Vespers

Hymne

714

Psalmen

1066

KS

1069

Completen

Hymne

682

Psalmen

1209

Eerste lezing

I Kor. 8, 1b-7. 10-13

Broeders en zusters,
Kennis alleen leidt tot eigenwaan, het is de liefde die opbouwt. Als iemand kennis meent te bezitten kent hij nog niet op de juiste wijze. Maar wie liefheeft, die is gekend.
Wat nu het eten van offervlees betreft, wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve Eén. Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel hetzij op aarde – en in deze zin zijn er ongetwijfeld goden en heren in menigte – toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit wie het al voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Heer: Jezus Christus door wie het al bestaat en wij in het bijzonder.
Ondertussen bezitten niet allen die kennis. Sommigen, nog altijd gewoon de afgoden te vereren, kunnen het vlees dat aan de goden geofferd is, alleen maar als zodanig beschouwen en hun geweten – zwak als het is – wordt erdoor besmet. Als zo iemand u, met uw ‘kennis’ in een afgodstempel aan een maaltijd ziet deelnemen, zal dan die zwakke geen offervlees gaan eten en zijn geweten geweld aandoen? Dan gaat ten gevolge van uw ‘kennis’ de zwakke verloren, de broeder voor wie Christus is gestorven. Door te zondigen tegen de broeders en hun angstvallig geweten te kwetsen zondigt gij tegen Christus. Daarom, als mijn eten aanstoot geeft aan mijn broeder zal ik in eeuwigheid geen vlees meer gebruiken, om mijn broeder geen aanstoot te geven.

Antwoordpsalm

Ps. 139 (138), 1-3, 13-14ab, 23-24

Refrein:
Leid mij, Heer, langs beproefde paden.

Gij kent mij, Heer, en Gij doorschouwt mij,
Gij ziet mij waar ik ga of sta.
Van verre kent Gij mijn gedachten,
Gij weet waarom ik bezig ben of rust.

Want wat er in mij is hebt Gij geschapen,
Gij hebt mij als een weefsel in de moederschoot gevormd.
Ik dank U voor het wonder van mijn leven,
voor alle wonderwerken die Gij hebt gemaakt.

Doorzoek mij, God, en peil mijn hart,
beproef mij en beoordeel mijn gezindheid.
Zie of ik soms verkeerde wegen ga
en leid mij langs beproefde paden.

Evangelie

Lc. 6, 27-38

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Tot u die naar Mij luistert zeg Ik: Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen. Als iemand u op de ene wang slaat keer hem ook de andere toe; en als iemand uw bovenkleed van u afneemt belet hem niet ook uw onderkleed te nemen. Geeft aan ieder die u iets vraagt, en als iemand wegneemt wat u toebehoort, eist het niet terug. Zoals gij wilt dat de mensen u behandelen, moet gij het hun doen. Als gij bemint wie u beminnen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben. Als gij weldoet aan wie u weldaden bewijzen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Dat doen de zondaars ook. Als gij leent aan hen van wie ge hoopt terug te krijgen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars lenen aan zondaars met de bedoeling evenveel terug te krijgen. Neen, bemint uw vijanden, doet goed en leent uit zonder er op te rekenen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten. Weest barmhartig zoals uw Vader barmhartig is. Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden. Veroordeelt niet, dan zult ge niet veroordeeld worden. Spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden. Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt zal men ook voor u gebruiken.”