23 augustus 2026 ✝ Eenentwintigste zondag door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

692

Psalmen

883

Lauden

Hymne

696

Psalmen

887

KS

890

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

891

KS

893

Vespers

Hymne

699

Psalmen

895

KS

898

Completen

Hymne

682

Psalmen

1203

Eerste lezing

Jes. 22, 19-23

Zo spreekt de Heer tot Sebna, de overste van de tempel:
“Ik zal u van uw post verjagen en u stoten uit uw ambt. Het zal gebeuren op die dag: Ik zal mijn dienaar roepen, Éljakim, de zoon van Chilkía, en hem bekleden met uw gewaad, hem uw gordel omdoen en Ik zal uw macht in zijn handen geven. Hij zal een vader zijn voor de bewoners van Jeruzalem en voor het huis van Juda. Ik zal de sleutel van Davids huis op zijn schouder leggen, en als hij opendoet, zal niemand sluiten, en als hij sluit, zal niemand opendoen. Ik zal hem vastslaan als een spijker op een stevige plek, en hij wordt een erezetel voor het huis van zijn vader.”

Antwoordpsalm

Ps. 138 (137), 1-2a. 2bc-3. 6 en 8bc (R. 8bc)

R. Heer, voor eeuwig duurt uw erbarmen:
laat het werk van uw handen niet in de steek!

Ik loof U met heel mijn hart,
omdat Gij de woorden van mijn mond hebt gehoord;
ten overstaan van de goden zal ik U bezingen.
Ik buig mij diep naar uw heilige tempel. R.

Ik loof U voor uw erbarmen en trouw;
groter dan alles hebt Gij uw Naam, uw woord gemaakt.
Telkens als ik riep, hebt Gij geantwoord
en hebt Gij mijn ziel gesterkt. R.

Verheven is de Heer.
Naar de nederige ziet Hij om,
de trotse doorgrondt Hij van verre.
Heer, voor eeuwig duurt uw erbarmen:
laat het werk van uw handen niet in de steek. R.

Tweede lezing

Rom. 11, 33-36

O hoe diep zijn de rijkdom en wijsheid en kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Wie heeft de gedachte van de Heer gekend? Wie is zijn raadsman geweest? Wie heeft Hem eerst iets gegeven waarvoor hij vergoed moet worden? Want uit Hem en door Hem en in Hem is alles. Hem zij de heerlijkheid tot in de eeuwigheid. Amen.

Evangelie

Mt. 16, 13-20

In die tijd
kwam Jezus in de streek van Caesarea van Filippus en Hij vroeg zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?” Zij zeiden: “Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten.” “Maar gij — sprak Hij tot hen — wie zegt gij dat Ik ben?” Simon Petrus antwoordde: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Jezus antwoordde hem: “Zalig zijt gij Simon Barjóna, want vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is. En Ik zeg u: gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven en wat gij zult binden op aarde, zal in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde, zal in de hemel ontbonden zijn.” Daarop verbood Hij de leerlingen ook maar iemand te zeggen, dat Hij de Christus was.