14 augustus 2026 ✝ Gedachtenis van de heilige Maximiliaan Maria Kolbe

Lezingen



Heilige Maximiliaan Maria Kolbe

Evangelielezing

Lezing

Hymne

1626

Psalmen

1070

Lauden

Hymne

1628

Psalmen

1073

KS

1629

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1078

KS

1080

Vespers

Hymne

1387

Psalmen

1552

KS

1383

Completen

Hymne

682

Psalmen

1201

H. Maximiliaan Maria Kolbe

Priester en martelaar

Maximiliaan Maria Kolbe werd op 8 januari 1894 in Polen geboren. Hij trad op jeugdige leeftijd in bij de minderbroeders-conventuelen en werd in 1918 te Rome priester gewijd. In zijn vurige en kinderlijke liefde tot de Moeder Gods stichtte hij een godvruchtige vereniging onder de naam van ‘Ridderschap van de Onbevlekte’, die hij zowel in zijn vaderland als in andere landen wijd verbreidde. Als missionaris in Japan zette hij zich in voor de uitbreiding van het christelijk geloof onder de leiding en de bescherming van de onbevlekte Maagd. Na zijn terugkeer in Polen heeft hij tijdens de tweede wereldoorlog veel leed en ellende doorstaan in het concentratiekamp Auschwitz (Oświęcim) in de streek van Krakau. Daar kwam op 14 augustus 1941 een einde aan zijn werkzaam leven, dat hij had opgeofferd uit liefde tot zijn naaste.

Eerste lezing

Ez. 16, 1-15. 60. 63

Het woord van de Heer werd tot mij gericht: “Mensenkind, gij moet Jeruzalem haar verfoeilijke daden onder ogen brengen. Gij moet zeggen: Zo spreekt God de Heer tot Jeruzalem: Naar herkomst en afstamming zijt gij uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was een Amoriet, uw moeder een Hethietische. En wat uw geboorte betreft op de dag dat gij gebaard werd, is uw navelstreng niet doorgeknipt, zijt gij niet met water schoongewassen, niet met zout gewreven en niet in doeken gewikkeld. Geen oog is met u begaan geweest, men heeft niet naar u gekeken om uit medelijden één van die dingen voor u te doen. Gij zijt neergegooid op het veld, omdat men een afkeer van u had, op de dag van uw geboorte. Toen ben Ik voorbijgekomen en heb Ik u gezien. Ik zag u trappelen in uw bloed en terwijl gij daar zo trappelde in uw bloed, zei Ik: Jij moet in leven blijven! Ja, Ik zei tot u die daar lag in uw bloed: Jij moet in leven blijven! Ik heb u laten opgroeien, als het kruid op het veld, en gij zijt groot geworden en tot volle wasdom gekomen. Uw borsten werden vast en uw haren groeiden aan, maar gij waart nog naakt en bloot. Toen kwam Ik weer voorbij en zag Ik, dat de tijd van de liefde voor u was gekomen. Ik heb de slip van mijn mantel over u uitgespreid en uw naaktheid bedekt. Ik heb u trouw gezworen en een verbond met u gesloten – zo spreekt God de Heer – en gij zijt de mijne geworden. Ik heb u met water gewassen, het bloed van u afgewist en u met olie gezalfd. In bonte weefsels heb Ik u gekleed en met kostelijk leer geschoeid; Ik heb u een linnen hoofddoek omgebonden en u een zijden mantel omgeslagen. Ik heb u met sieraden getooid; om uw polsen heb Ik armbanden gedaan en een snoer om uw hals. Ik gaf u een neusring, oorringen en een schitterende diadeem op uw hoofd. Gij hebt u met goud en met zilver getooid, en uw kleren waren van linnen, van zijde en van geborduurde weefsels; uw voedsel bestond uit het fijnste meel en honing en olie. Gij werd een schone vrouw, een uitzonderlijke schoonheid, het koningschap waardig. En onder de heidense volken verbreidde zich uw faam vanwege die schoonheid, want die was volmaakt, door de luister die Ik u had bijgezet, – zo spreekt God de Heer –. Maar door uw schoonheid zijt gij zelfverzekerd geworden en gij zijt ontucht gaan plegen met uw faam; aan iedere voorbijganger hebt gij uw ontucht aangeboden. Toch zal Ik weer terugdenken aan het verbond, dat Ik in uw jonge jaren met u was aangegaan. Ik zal een eeuwigdurend verbond met u sluiten. Dan zult gij tot inkeer komen en schaamrood worden; van schaamte zult gij uw mond niet meer opendoen wanneer Ik verzoening bewerk voor alles wat gij hebt gedaan.” Zo spreekt God de Heer.

Antwoordpsalm

Jes. 12, 1-3. 4bcd. 5-6

Refrein:
Ik dank U, o Heer, Gij waart toornig op mij,
maar nu schenkt Gij troost en vergeving.

God is mijn heil, ik verlaat mij op Hem,
ik hoef voor geen onheil te vrezen.
De Heer is mijn sterkte, de Heer geeft mij kracht,
Hij toont zich mijn helper en redder.

De dag is nabij dat ge water zult putten
met opgeruimd hart uit de bron van het heil.

Brengt dank aan de Heer en huldigt zijn Naam,
verkondigt de volken zijn machtige daden,
maakt alom zijn grootheid bekend.

Zingt luid voor de Heer, die wonderen deed,
laat heel de aarde het horen.
Verheugt u en juicht, gij die Sion bewoont,
want Israëls Heilige woont in uw midden.

Evangelie

Mt. 19, 3-12

In die tijd kwamen er Farizeeën naar Jezus toe om Hem op de proef te stellen met de vraag: “Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten, om welke reden dan ook?” Hij gaf hun ten antwoord: “Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper in het begin hen als man en vrouw gemaakt heeft en gezegd heeft: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen worden één vlees? Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden.” Zij zeiden Hem: “Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven bij het wegzenden van een vrouw een scheidingsbrief te geven?” Hij antwoordde: “Om de hardheid van uw hart heeft Mozes u toegestaan uw vrouwen weg te zenden; aanvankelijk was dit echter niet zo. Ik zeg u dus: wie zijn vrouw wegzendt – en dit niet wegens ontucht – en een ander huwt, begaat echtbreuk; en wie een weggezonden vrouw huwt, begaat echtbreuk.” De leerlingen zeiden Hem: “Als de verhouding tussen man en vrouw zó is kan men beter niet trouwen.” Hij antwoordde: “Niet iedereen kan dit begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is. Er zijn onhuwbaren die zo uit de moederschoot zijn voortgekomen; en er zijn onhuwbaren die door de mensen zo gemaakt zijn; maar ook zijn er onhuwbaren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der hemelen. Wie bij machte is dit te begrijpen, hij begrijpe het!”