Lezing
Hymne
1626
Psalmen
914
Lauden
Hymne
1628
Psalmen
918
KS
1629
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
922
KS
924
Vespers
Hymne
1633
Psalmen
926
KS
1635
Completen
Hymne
682
Psalmen
1206
H. Johannes Maria Vianney, Pastoor van Ars
Priester
Jean-Marie Vianney, pastoor van Ars, werd in 1786 in de omgeving van Lyon geboren. Eerst na veel moeilijkheden overwonnen te hebben kon hij priester gewijd worden. Benoemd tot pastoor in het dorp Ars in het bisdom Belley, leidde hij zijn parochie op zeer bijzondere wijze door zijn voortdurende prediking, en bracht deze door zijn versterving, gebed en naastenliefde, tot grote bloei. Als biechtvader had hij een grote naam en allerwegen kwam men naar hem toe om zijn geestelijke bijstand te vragen. Hij stierf in 1859.
Eerste lezing
Jer. 30, 1-2. 12-15. 18-22
Het woord van de Heer kwam tot Jeremia: “Dit zegt de Heer, Israëls God: Stel alles wat Ik u gezegd heb op schrift. Uw kwaal is ongeneeslijk, uw wonden zijn niet te helen. Niemand verzorgt uw zweren, uw wonden sluiten zich niet. Al uw minnaars zijn u vergeten, ze lopen u niet meer achterna, omdat Ik als een vijand op u heb ingeslagen en u meedogenloos heb gestraft om uw vele misdaden en uw talrijke zonden. Wat jammert ge dan om uw wonden en uw onverdraaglijke pijnen? Om uw vele misdaden en uw talrijke zonden heb Ik u dit alles aangedaan. Ik herstel de tenten van Jakob, Ik ontferm Mij over zijn huizen. De stad wordt herbouwd op zijn puinhoop, de burcht komt weer op zijn vroegere plaats. Een loflied weerklinkt, men hoort hen weer lachen. Ik maak hen talrijk; nooit nemen ze in aantal af. Ik breng hen tot aanzien, nooit worden ze meer veracht. Hun zonen zijn voor Mij weer als vroeger, hun gemeenschap blijft altijd bestaan. Hun onderdrukkers straf Ik. Hun vorst is een van hen, hun heerser komt voort uit hun midden. Ik laat hem bij Mij komen, hij mag tot Mij naderen. Wie anders zou met gevaar voor zijn leven tot Mij durven naderen – zo luidt de godsspraak van de Heer –? Gij zult mijn volk en Ik zal uw God zijn.”
Antwoordpsalm
Ps. 102 (101), 16-18. 19-21. 29. 22-23
R. De Heer herbouwt de muren van Sion.
De heidenen zullen uw Naam weer duchten, de vorsten der aarde uw heerlijkheid, Heer; wanneer Gij de muren van Sion herbouwt, wanneer Gij daar weerkeert in volle luister; wanneer Gij de stem der geplunderden hoort, hun smeekbeden niet naast U neerlegt.
Stel dit dan op schrift voor het komend geslacht en laat onze zonen de Heer ervoor danken. De Heer ziet omlaag van zijn heilige hoogte, Hij ziet uit de hemel op aarde neer. Hij zal het geschrei der gevangenen horen, verlossen die aan de dood zijn gewijd.
Het kroost van uw dienaren krijgt weer een woonplaats, hun nageslacht blijft voor uw aanschijn bestaan. Dan wordt op de Sion zijn Naam weer verkondigd, zijn lof in de heilige stad; als volken en stammen daarheen zullen komen om hulde te brengen aan God de Heer.
Evangelie
Mt. 14, 22-36
Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. Toen Hij het volk had weggezonden ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen. De boot was reeds vele stadiën uit de kust en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind. In de vierde nachtwake kwam Hij te voet over het meer naar hen toe. Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen. Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: “Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet.” “Heer – antwoordde Petrus – als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.” Waarop Jezus sprak: “Kom!” Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: “Heer, red mij!” Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei: “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?” Nadat zij in de boot gestapt waren ging de wind liggen. De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: “Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God.” Toen zij overgestoken waren bereikten zij de kust bij Gennésaret. Toen de mannen van die streek Hem herkenden, verspreidden zij in heel de streek het bericht van zijn komst en brachten Hem al hun zieken. Ze smeekten Hem of ze tenminste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die dit deden werden gezond.





