Lezing
Hymne
1626
Psalmen
868
Lauden
Hymne
1628
Psalmen
871
KS
1629
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
874
KS
1632
Vespers
Hymne
696
Psalmen
878
KS
881
Completen
Hymne
682
Psalmen
1201
H. Alfonsus Maria de’Liguori
Bisschop en kerkleraar
Alfonsus werd in 1696 te Napels geboren; na zijn promotie in het burgerlijk en kerkelijk recht werd hij priester en stichtte hij de congregatie van de Allerheiligste Verlosser (redemptoristen). Om het christelijk leven onder de mensen te bevorderen wijdde hij zich aan de prediking en schreef hij boeken, vooral op het gebied van de moraaltheologie, waarvan hij sindsdien als een meester geldt. Bisschop gekozen van Santa Agata dei Goti, trad hij na korte tijd af en stierf hij in 1781 ten huize van zijn medebroeders in Pagani.
Eerste lezing
Jer. 26, 11-16. 24
In die dagen zeiden de priesters en de profeten tot de edelen en tot alle aanwezigen: “Deze man, Jeremia, is de dood schuldig. Hij heeft tegen deze stad geprofeteerd; gij hebt het zelf gehoord.” Maar Jeremia zei tot de edelen en tot alle aanwezigen: “Alle bedreigingen tegen deze tempel en tegen deze stad die gij hebt gehoord, heb ik uitgesproken in opdracht van de Heer. Betert dus uw leven, luistert naar de Heer uw God. Misschien krijgt Hij dan spijt over het onheil waarmee Hij u heeft bedreigd. Met mij kunt gij natuurlijk doen wat ge wilt: ik ben in uw macht. Maar als ge mij doodt, moet gij wel weten dat ge onschuldig bloed brengt over uzelf, over deze stad en over haar inwoners, want het is in opdracht van de Heer dat ik dit alles verkondig.” Daarop zeiden de edelen en alle aanwezigen tot de priesters en de profeten: “Deze man is de dood niet schuldig. Hij heeft tot ons gesproken namens de Heer.” Het was vooral aan Achikam, zoon van Safan, te danken dat Jeremia niet in de handen viel van het gepeupel dat hem wilde doden.
Antwoordpsalm
Ps. 69 (68), 15-16, 30-31, 33-34
Refrein:
Mijn gebed, Heer, richt ik tot U,
nu is het de tijd van genade.
Red mij uit de modder waarin ik verzink,
bevrijd mij van hen, die mij haten.
Geef dat ik niet in de diepte verdrink,
niet meegevoerd word door de stroom.
Zorg dat de afgrond mij niet verslindt,
de mond van de put niet boven mij dichtslaat.
Ik ga gebogen onder mijn smart;
God, laat uw hulp mij beschermen.
Gods Naam zal ik loven in mijn gezang,
Hem dankbaar overal prijzen.
Ziet toe, geringen, en weest verheugd,
schept moed, gij allen die God zoekt.
God luistert naar wat een arme Hem vraagt,
vergeet zijn gevangenen niet.
Evangelie
Mt. 14, 1-12
In die tijd begon Jezus’ vermaardheid tot de viervorst Herodes door te dringen, en hij zei daarom tot zijn hovelingen: “Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is uit de doden opgestaan; vandaar dat die wonderkrachten in hem werken.” Want omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, had Herodes Johannes laten grijpen en geboeid in de gevangenis geworpen, omdat Johannes tot hem gezegd had: Het is u niet geoorloofd haar als vrouw te hebben. Daarom had Herodes hem eigenlijk ter dood willen brengen, maar hij was hiervoor teruggeschrokken omdat het volk Johannes voor een profeet hield. Toen de dochter van Herodias echter op de verjaardag van Herodes voor het gezelschap danste, beviel zij hem zozeer dat hij een eed zwoer haar alles te zullen geven wat zij zou vragen. Haar moeder had haar het antwoord ingescherpt en daarom zei ze: “Geef mij, hier nog, op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.” Ofschoon dit de koning aan zijn hart ging wilde hij toch, ook wegens zijn tafelgenoten, zijn eed gestand doen en hij gelastte het te geven. Hij gaf daarom opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. Zijn hoofd werd op een schotel binnengebracht en aan het meisje gegeven dat het aan haar moeder bracht. Zijn leerlingen kwamen het lijk halen en begroeven het; daarna gingen zij het aan Jezus melden.





