Lezing
Hymne
708
Psalmen
930
Lauden
Hymne
709
Psalmen
933
KS
937
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
938
KS
941
Vespers
Hymne
710
Psalmen
942
KS
945
Completen
Hymne
682
Psalmen
1208
Eerste lezing
Hos. 10, 1-3. 7-8. 12
IsraĆ«l is een weelderige wijnstok, die ook weelderige vruchten draagt. En hoe talrijker die vruchten zijn, des te talrijker maakt IsraĆ«l zijn altaren. Hoe mooier zijn land wordt, des te mooier versiert het zijn wijstenen. Omdat zij zo dubbelhartig zijn, zullen zij nu hun schuld gaan boeten. De Heer zelf geeft hun altaren de nekslag en slaat de wijstenen stuk. Ja, dan zullen zij zeggen: āWij hebben geen koning, want als wij de Heer niet vrezen, wat helpt ons de koning dan?ā Samaria is tot zwijgen gebracht, zijn koning is als een afgebroken tak die op het water drijft. De gruwelhoogten ā die zonde van IsraĆ«l ā worden verwoest. Doornen en distels overwoekeren hun altaren. Dan roepen zij de bergen toe: āBedekt ons!ā en de heuvels: āValt op ons neer!ā Zaait rechtschapenheid, dan zult gij goedheid oogsten; ontgint het braakland. Het is nu de tijd om de Heer te zoeken, totdat Hij komt en de gerechtigheid over u laat regenen.
Antwoordpsalm
Ps. 105 (104), 2-3, 4-5, 6-7
Refrein:
Zoekt altijd het Aanschijn van de Heer.
Of: Alleluia.
Bezingt Hem en tokkelt de snaren voor Hem,
verhaalt al zijn wondere werken.
Gaat groot op de heilige Naam van de Heer,
verheugt u, gij die Hem aanhangt.
Verlaat u op Hem, op zijn machtige arm,
blijft altijd zijn Aanschijn zoeken.
Vergeet nooit de wonderen die Hij deed,
zijn tekenen en zijn beloften.
Gij, kroost van zijn dienaar Abraham,
gij, zonen van Jakob, zijn welbeminde.
De Heer, Hij is onze enige God,
wat Hij beslist, geldt voor heel de aarde.
Evangelie
Mt. 10, 1-7
In die tijd riep Jezus zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen. Dit zijn de namen van de twaalf apostelen als eerste: Simon, die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes; Filippus en Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon de IJveraar en Judas Iskariot, die Hem verraden heeft. Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: āBegeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van IsraĆ«l. Verkondigt op uw tocht: Het Koninkrijk der hemelen is nabij.ā





