Lezing
Hymne
742
Psalmen
996
Lauden
Hymne
742
Psalmen
999
KS
240
Middaggebed
Hymne
762
Psalmen
1003
KS
203
Vespers
Hymne
740
Psalmen
1007
KS
242
Completen
Hymne
682
Psalmen
1203
Eerste lezing
Ex. 17, 3-7
In die dagen leed het volk Israël hevige dorst. Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: “Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte, als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?” Mozes klaagde zijn nood bij de Heer: “Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen.” De Heer gaf Mozes ten antwoord: “Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waarmee ge de rivier geslagen hebt en begeef u op weg. Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uitstromen, zodat het volk kan drinken.” Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten. Hij noemde de plaats Massa en Meríba vanwege de verwijten van de kinderen van Israël en omdat zij de Heer op de proef hadden gesteld door zich af te vragen: “Is de Heer nu bij ons of niet?”
Antwoordpsalm
Ps. 95 (94). 1-2. 6-7. 8-9 (R. vgl. 8)
R. Luistert heden naar de stem van de Heer: “Verhardt uw hart niet!”
Komt, laat ons jubelen om de Heer,
juichen om de Rots van ons heil,
laat ons tot Hem naderen met een lofzang,
Hem met liederen toejuichen. R.
Komt, laat ons diep buigen, neerbuigen,
neerknielen voor de Heer, onze Maker:
Hij is onze God en wij het volk dat Hij weidt,
de kudde in zijn hand. R.
Luistert heden dan naar zijn stem:
“Verhardt uw hart niet,
zoals eens in Meríba, als op de dag van Massa in de woestijn,
toen uw vaderen Mij op de proef stelden en tartten,
ofschoon zij mijn daden hadden gezien.” R.
Tweede lezing
Rom. 5, 1-2. 5-8
Broeders en zusters,
Gerechtvaardigd door het geloof, zijn wij in vrede met God door onze Heer Jezus Christus, door wie wij én door het geloof toegang hebben tot die genade waarin wij staan, én roemen op de hoop op de heerlijkheid van God.
En de hoop wordt niet beschaamd, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest die ons werd gegeven. Christus is op de gestelde tijd, toen wij nog zwak waren, voor goddelozen gestorven. Want zelden zal iemand voor een rechtvaardige sterven, al durft misschien iemand het aan om voor een goed mens te sterven. God echter bewijst zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren.
Evangelie
Joh. 4, 5-42
In die tijd kwam Jezus bij een stad in Samaría, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. Daar bevond zich de bron van Jakob. Vermoeid van de tocht ging Jezus bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaría water putten. Jezus zei haar: “Geef Mij te drinken.” Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. De Samaritaanse vrouw zei tot Hem: “Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse vrouw?” Joden gaan namelijk niet om met Samaritanen. Jezus gaf ten antwoord: “Als ge de gave Gods kende en wist wie het is, die u zegt: ‘Geef Mij te drinken’, zoudt gij het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.” De vrouw zei Hem: “Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep; waar haalt Ge dan het levend water vandaan? Of zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er zelf uit dronk met zijn zonen en zijn vee?” Jezus antwoordde haar: “Ieder die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven.” De vrouw zei Hem: “Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en hier niet meer moet komen om te putten.” Hij zei haar: “Ga uw man roepen en kom dan hier terug.” De vrouw antwoordde Hem: “Ik heb geen man.” Jezus zei haar: “Dat zegt ge terecht: ‘Ik heb geen man’; want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt, is uw man niet. Dat hebt ge naar waarheid gezegd.” De vrouw zei tot Hem: “Heer, ik zie dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen aanbaden op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.” Jezus zei haar: “Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat gij noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden is. Maar het uur komt, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader immers zoekt zulke aanbidders. God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.” De vrouw zei Hem: “Ik weet dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer Die komt, zal Hij ons alles verkondigen.” Jezus zei haar: “Ik ben het, die met u spreekt.” Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug en zij stonden verwonderd dat Hij in gesprek was met een vrouw. Geen van hen echter vroeg: “Wat wilt Ge van haar?” of “Waarom praat Ge met haar?” De vrouw liet haar waterkruik achter, ging naar de stad en zei tot de mensen: “Komt, ziet een mens, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb! Zou Hij soms de Christus zijn?” Zij gingen de stad uit en gingen naar Hem toe. Ondertussen vroegen de leerlingen Hem: “Rabbi, eet toch iets.” Maar Hij zei hun: “Ik heb voedsel te eten dat gij niet kent.” De leerlingen zeiden tot elkaar: “Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?” Jezus zei hun: “Mijn voedsel is het, dat Ik de wil doe van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk volbreng. Zegt gij niet: ‘Nog vier maanden en dan komt de oogst?’ Zie, Ik zeg u: slaat uw ogen op en kijkt naar de velden; ze staan wit voor de oogst. Reeds ontvangt de maaier zijn loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven, zodat zaaier en maaier zich samen verheugen. Hier is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait. Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij sluit aan bij hun zwoegen.” Vele Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw die getuigde: “Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.” Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En door zijn woord kwamen er nog veel meer tot geloof. Tegen de vrouw zeiden ze: “Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten: Hij is waarlijk de Redder van de wereld.”





