Lezing
Hymne
751
Psalmen
866
Lauden
Hymne
752
Psalmen
871
KS
485
Middaggebed
Hymne
764
Psalmen
874
KS
430
Vespers
Hymne
748
Psalmen
787
KS
486
Completen
Hymne
683
Psalmen
1201
Eerste lezing
Hand. 15, 22-31
In die dagen besloten de apostelen en de oudsten samen met de hele gemeente enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen: Judas, bijgenaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broeders, en hun het volgende schrijven mee te geven: “De apostelen en de oudsten zenden hun broederlijke groet aan de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. Daar wij gehoord hebben dat sommige van ons u door woorden in verwarring hebben gebracht en uw gemoederen hebben verontrust, zonder dat ze van ons enige opdracht hadden gekregen, hebben wij eenstemmig besloten enige mannen uit te kiezen en naar u toe te sturen, in gezelschap van onze dierbare Barnabas en Paulus, mensen die zich geheel en al hebben ingezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. Wij hebben dus Judas en Silas afgevaardigd die ook mondeling hetzelfde zullen overbrengen. De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dat dit onvermijdelijke: u te onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van wat verstikt is en van ontucht. Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan. Vaarwel!” Na afscheid genomen te hebben reisden zij naar Antiochië. Daar riepen ze de gemeente bijeen en overhandigden de brief. Zij lazen hem en waren blij over de troostvolle inhoud.
Antwoordpsalm
Ps. 100 (99), 2, 3, 5
Refrein:
Juicht voor de Heer, alle landen.
Of: Alleluia.
Juicht voor de Heer, alle landen,
dient met blijdschap de Heer,
treedt onbezorgd voor zijn aanschijn.
Waarlijk, de Heer is God,
Hij is de Schepper en Meester,
wij zijn kudde, zijn volk.
Hij is ons goed gezind,
eindeloos is zijn erbarmen,
trouw van geslacht op geslacht.
Evangelie
Joh. 15, 12-17
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad. Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden. Gij zijt mijn vrienden als gij doet wat Ik u gebied. Ik noem u geen dienaars meer want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vrienden genoemd want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord. Niet gij hebt Mij uitgekozen maar Ik u, en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn. Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn Naam vraagt. Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt.”





