3 maart 2026 ✝ Dinsdag in de 2e week van de Veertigdagentijd

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

742

Psalmen

914

Lauden

Hymne

742

Psalmen

918

KS

228

Middaggebed

Hymne

762

Psalmen

922

KS

209

Vespers

Hymne

740

Psalmen

926

KS

229

Completen

Hymne

682

Psalmen

1206

Eerste lezing

Jes. 1, 10. 16-20

Luister! Het woord van de Heer! “Ga u wassen, ga u reinigen; uit mijn ogen met uw boze daden! Houd op met kwaad doen, leer het goede te doen, onderhoud het recht, help de verdrukte, verdedig de wees, pleit voor de weduwe. Kom dan – zegt de Heer – laten we het uitpraten: Al zijn uw zonden rood als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al zijn ze als purper zo rood, ze zullen blank worden als wol. Als ge gewillig wilt zijn en luisteren zult ge het goede der aarde genieten, maar als ge blijft weigeren en u verzetten zal het zwaard u verdelgen.”

Antwoordpsalm

Ps. 50 (49), 8-9, 16bc-17, 21, 23

Refrein:
Wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God.

Ik maak u over offers geen verwijt:
uw offerdieren zie Ik aldoor branden.
Ik wil geen stier meer hebben uit uw huizen
en rammen uit uw schaapskooi vraag Ik niet.

Wat spreekt ge aldoor over mijn geboden
en hebt ge mijn verbond steeds op de tong?
Gij die van tucht een afkeer hebt
en nimmer acht slaat op mijn woorden.

Zou Ik dan zwijgen als gij zoiets doet?
Of meent ge soms dat ik aan u gelijk ben?
Ik klaag u aan, Ik leg u alles voor.
Wie offers brengt van lof, die eert Mij waarlijk,
wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God.

Evangelie

Mt. 23, 1-12

In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: “Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet naar hun woorden. Zij maken bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken. Alles wat zij doen doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden en de voornaamste zetels in de synagogen, ze laten zich graag groeten op de markt en willen door de mensen rabbi genoemd worden. Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar één Meester en gij zijt allen broeders. En noemt niemand van u op aarde ‘vader’; gij hebt maar één Vader, de hemelse. En laat u ook geen ‘leraar’ noemen; gij hebt maar één leraar, de Christus. Wie de grootste onder u is moet uw dienaar zijn. Alwie zichzelf verheft zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.”