Lezing
Hymne
1626
Psalmen
900
Lauden
Hymne
1628
Psalmen
903
KS
1629
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
907
KS
909
Vespers
Hymne
1633
Psalmen
910
KS
1635
Completen
Hymne
682
Psalmen
1205
Heilige Johannes Maria Vianney
priester
Jean-Marie Vianney werd in 1786 in de omgeving van Lyon geboren. Eerst na veel moeilijkheden overwonnen te hebben kon hij priester gewijd worden. Benoemd tot pastoor in het dorp Ars in het bisdom Belley, leidde hij zijn parochie op zeer bijzondere wijze door zijn voortdurende prediking, en bracht deze door zijn versterving, gebed en naastenliefde tot grote bloei. Als biechtvader had hij een grote naam en allerwegen kwam men naar hem toe om zijn geestelijke bijstand te vragen. Hij stierfin 1859.
Eerste lezing
Num. 11, 4b-15
In die dagen begonnen de Israëlieten opnieuw te jammeren.
Ze zeiden:
“Wie kan ons aan vlees helpen!
Wij hebben heimwee naar de vis die wij in Egypte
voor niets te eten kregen, naar de komkommers en de meloenen,
naar de prei, de uien en het knoflook.
Wij drogen uit! Er is niets!
Wij krijgen alleen maar manna te zien.”
Het manna geleek op korianderzaad
en zag er uit als balsemhars.
Het volk verspreidde zich om het bijeen te rapen.
Dan maalden zij het met een handmolen
of stampten het fijn in een vijzel.
Ze kookten het in een pot en maakten er koeken van,
zodat het smaakte als oliegebak.
Met de dauw viel ‘s nachts ook het manna op het kamp neer.
Toen Mozes hoorde, hoe het volk, familie voor familie,
bij de ingang van de tenten zat te jammeren,
en toen de Heer in hevige toorn ontstak, werd hij ontstemd.
Hij vroeg de Heer:
“Waarom doet Gij uw dienaar dit verdriet aan?
Zijt Gij mij zo weinig genegen,
dat Gij mij de last van heel dat volk laat dragen?
Het lijkt wel of ik van heel dat volk zwanger ben geweest
en het ter wereld heb gebracht, dat Gij mij zegt:
Draag het aan uw hart, zoals een voedster een zuigeling draagt,
en dat Gij mij beveelt
het naar het land te brengen
dat gij zijn vaderen onder ede beloofd hebt.
Waar haal ik vlees vandaan voor heel dat volk?
Het jammert tegen mij: Geef ons toch vlees te eten!
Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen.
Het is mij te zwaar!
Indien Gij zo met mij blijft doen,
dood mij dan maar, als Gij mij genadig wilt zijn.
Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien.”
Antwoordpsalm
Psalmen 81 (80), 12-13, 14-15, 16-17
Refrein:
Huldigt de Heer, onze sterkte!
Israël heeft mijn stem niet gehoord, zegt de Heer,
mijn volk gehoorzaamde niet.
Toen liet ik hen los met hun hard gemoed,
zij gingen hun eigen wegen.
Ach, luisterde nu mijn volk maar naar Mij,
bewandelde Israël nu maar mijn paden;
dan bracht Ik hun vijanden aanstonds
ten val en zou Ik mijn hand keren tegen hun kwellers.
Dan zouden Gods vijanden hen naar de mond zien
en zo zou het blijven voor immer.
Dan zou Ik mijn volk met tarwebloem voeden,
met honing verzadigen uit de rots.
Evangelie
Mt. 14, 22-36
Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen
in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen,
terwijl Hij het volk naar huis zou zenden.
Toen Hij het volk had weggezonden,
ging Hij de berg op om in afzondering te bidden.
De avond viel en Hij was daar alleen.
De boot was reeds vele stadiën uit de kust
en werd geteisterd door de golven,
want zij hadden tegenwind.
In de vierde nachtwake
kwam Hij te voet over het meer naar hen toe.
Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan,
raakten zij van streek, omdat zij een spook meenden te zien
en zij begonnen van angst te schreeuwen.
Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen:
“Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet.”
“Heer – antwoordde Petrus –
als Gij het zijt,
zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.”
Waarop Jezus sprak:
“Kom!”
Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.
Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was werd hij bang;
hij begon te zinken en schreeuwde:
“Heer, red mij!”
Terstond stak Jezus zijn hand uit
en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei:
“Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?”
Nadat zij in de boot gestapt waren ging de wind liggen.
De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden:
“Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God.”
Toen zij overgestoken waren,
bereikten zij de kust bij Gennésaret.
Toen de mannen van die streek Hem herkenden,
verspreidden zij in heel de streek het bericht van zijn komst
en brachten Hem al hun zieken.
Ze smeekten Hem
of ze tenminste de zoom van zijn kleed mochten aanraken.
En allen die dit deden werden gezond.