28 januari 2026 ✝ Gedachtenis van de heilige Thomas van Aquino

Lezingen



Heilige Thomas van Aquino

Evangelielezing

Lezing

Hymne

1641

Psalmen

1040

Lauden

Hymne

1639

Psalmen

1043

KS

1640

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1047

KS

1050

Vespers

Hymne

1641

Psalmen

1051

KS

1642

Completen

Hymne

682

Psalmen

1208

H. Thomas van Aquino

priester en kerkleraar

Als telg uit het grafelijk geslacht van Aquino omstreeks 1225 geboren, ontving Thomas zijn eerste opleiding in de abdij van Monte Cassino. Vervolgens studeerde hij te Napels, waar hij later bij de dominicanen intrad en voltooide hij zijn studies te Parijs en Keulen onder leiding van de heilige Albertus de Grote. Groot zijn zijn verdiensten op het gebied van de filosofie en theologie, waarin hij anderen door woord en geschrift onderrichtte. Hij stierf in de abdij van Fossanova op 7 maart 1274. Op 28 januari 1369 werd zijn lichaam naar Toulouse overgebracht.

Eerste lezing

II Sam. 7, 4-17

In die dagen werd het woord van de Heer gericht tot Natan: “Zeg aan mijn dienaar David: Zo spreekt de Heer: Gij wilt voor Mij een huis bouwen en Mij daarin laten wonen? Ik heb nooit in een huis gewoond, sinds de tijd dat Ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot vandaag toe; steeds ben Ik meegetrokken in een tent, waar Ik in verbleef. Zolang Ik met de Israëlieten meetrok heb Ik nooit aan iemand gevraagd: Waarom bouwt gij Mij niet een huis van cederhout? Aan geen van de stammen van Israël, die Ik had aangesteld om mijn volk te hoeden. Zeg daarom aan mijn dienaar David: Zo spreekt God, de Heer van de hemelse machten: Ik heb u uit de steppe gehaald, achter de schapen vandaan, om vorst te zijn over mijn volk Israël. Op al uw tochten heb Ik u bijgestaan, al uw vijanden heb Ik vernietigd, uw naam heb Ik groot gemaakt als die van de groten der aarde. Ik heb mijn volk Israël een gebied gegeven en het daar geplant om er te wonen. Het wordt niet meer opgeschrikt en door geen boosdoeners verdrukt, zoals vroeger, in de tijd dat Ik over Israël, mijn volk, rechters had aangesteld. Ik heb gezorgd dat al uw vijanden u met rust laten. De Heer kondigt u aan dat Hij voor u een huis zal oprichten. Als uw dagen voleind zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat die gij verwekt hoog verheffen en zijn koninklijke macht in stand houden. Hij zal een huis bouwen ter ere van mijn Naam en Ik zal zijn koninklijke troon voor altijd in stand houden. Ik zal hem tot vader zijn en hij zal mijn zoon zijn. Als hij de verkeerde weg opgaat, zal Ik hem kastijden met slagen en striemen, even goed als andere mensen. Maar nooit zal Ik hem uit mijn gunst verstoten, zoals Ik gedaan heb met Saul, die Ik verstoten heb om plaats te maken voor u. Zo zal uw huis en uw koninklijke macht altijd standhouden; uw troon staat vast voor eeuwig.” Al deze woorden, heel dit visioen, bracht Natan over aan David.

Antwoordpsalm

Ps. 89 (88), 4-5, 27-28, 29-30

Refrein:
Voor altijd kan hij rekenen op mijn genade.

Ik heb met David een verbond gesloten,
mijn uitverkoren dienaar met een eed beloofd:
Ik zal uw nageslacht in stand houden voor eeuwig,
in alle tijden blijft uw troon bestaan.

Hij zal Mij aanroepen: Gij zijt mijn Vader,
mijn God, de steenrots van mijn heil.
Ik wijs hem aan als eerstgeborene,
als hoogste van de koningen der aarde.

Voor altijd kan hij rekenen op mijn genade,
voor immer blijft mijn bond met hem van kracht.
Ik zal aan zijn geslacht geen einde maken,
noch aan zijn troon, zolang de hemel dagen heeft.

Evangelie

Mc. 4, 1-20

In die tijd begon Jezus te leren aan de oever van het meer. Zeer veel volk verzamelde zich bij Hem, zodat Hij in een boot die op het water lag moest stappen om daar plaats te nemen, terwijl al het volk zich langs het meer op het land bevond. Hij leerde hun vele dingen door middel van gelijkenissen, en in zijn onderrichting zei Hij tot hen: “Luistert. Eens ging een zaaier uit om te zaaien. Toen hij aan het zaaien was viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten. Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken waar het niet veel aarde had; het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag. Maar toen de zon was opgekomen kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op zodat het zaad verstikte en geen vrucht opleverde. Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond en doordat het opschoot en zich ontwikkelde, leverde het vrucht op en bracht het dertig-, zestig- en honderdvoudige voort.” En Hij voegde er aan toe: “Wie oren heeft om te horen, hij luistere.”
Toen Hij weer alleen was stelde zijn omgeving, ook de twaalf, Hem vragen omtrent de gelijkenissen. Hij antwoordde hun: “Aan u is het geheim van het Rijk Gods geschonken maar zij die erbuiten staan, krijgen alles in gelijkenissen, opdat zij wel scherp kijken met hun ogen maar niet zien, en wel luisteren met hun oren maar niet verstaan, opdat zij zich niet zouden bekeren en vergiffenis krijgen.” En Hij vervolgde: “Begrijpt ge deze gelijkenis niet? Hoe zult ge dan alle gelijkenissen verstaan? De zaaier zaait het woord. Die op de weg – waar het woord gezaaid wordt – zijn de mensen bij wie als zij het gehoord hebben, terstond de satan komt en het woord wegrooft dat gezaaid ligt in hun binnenste. Op dezelfde manier zijn zij die op de rotsachtige plekken gezaaid worden de mensen die als zij het woord gehoord hebben, het terstond met blijdschap opnemen; maar zij hebben geen wortel geschoten, leven bij het ogenblik, en als zij omwille van het woord onderdrukt of vervolgd worden, komen zij onmiddellijk ten val. Die tussen distels gezaaid worden zijn weer anderen, die het woord wel gehoord hebben, maar wanneer de zorgen van de wereld, de begoocheling van de rijkdom en de begeerten naar al het andere binnendringen, verstikken deze het woord en zo blijft het zonder vrucht. De in de goede grond gezaaiden zijn de mensen die het woord horen, het in zich opnemen en vrucht dragen: dertig-, zestig- en honderdvoudig.”