22 april 2026 ✝ Woensdag in de derde week van Pasen

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

751

Psalmen

1040

Lauden

Hymne

752

Psalmen

1043

KS

441

Middaggebed

Hymne

764

Psalmen

1047

KS

421

Vespers

Hymne

748

Psalmen

1051

KS

442

Completen

Hymne

682

Psalmen

1208

Eerste lezing

Hand. 8, 1-8

Na de dood van Stefanus brak een hevige vervolging los tegen de kerk van Jeruzalem. Allen verspreidden zich over het platteland van Judea en Samaria, uitgezonderd de apostelen. Vrome mannen begroeven Stefanus en hielden een grote rouwklacht over hem. Saulus echter woedde tegen de kerk, waarbij hij het ene huis na het andere binnendrong, mannen en vrouwen wegsleepte en overleverde om gevangen gezet te worden. Zij nu, die zich verspreid hadden, trokken rond en verkondigden het woord van de Blijde Boodschap. Zo kwam Filippus in de stad van Samaria en predikte daar de Messias. Filippus’ woorden oogstten algemene instemming toen de mensen hoorden wat hij zei en toen zij de tekenen zagen die hij verrichtte. Uit vele bezetenen gingen de onreine geesten onder luid geschreeuw weg en vele lammen en kreupelen werden genezen. Daarover ontstond grote vreugde in die stad.

Antwoordpsalm

Ps. 66 (65), 1-3a, 4-5, 6-7a

Refrein:
Jubelt voor God, alle landen der aarde,
bezingt de heerlijkheid van zijn Naam.
Of: Alleluia.
Jubelt voor God, alle landen der aarde,
bezingt de heerlijkheid van zijn Naam.
Brengt Hem uw hulde en zegt tot uw God:
verbijsterend zijn al uw daden.
Heel de aarde moet U aanbidden,
bezingen uw heilige Naam.
Komt en aanschouwt wat God heeft verricht,
ontstellende daden onder de mensen.
Hij maakte de zee tot een droge vallei,
zij gingen te voet door de bedding.
Laten wij juichen van vreugde om Hem,
die eeuwig regeert door zijn macht.

Evangelie

Joh. 6, 35-40

In die tijd zei Jezus tot de menigte: “Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen. Maar Ik zei u reeds dat gij toch niet gelooft, hoewel gij Mij hebt gezien. Al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt zal Ik niet buitenwerpen. Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft; en dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft, dat Ik niets van wat Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan maar het doe opstaan op de laatste dag. Dit is de wil van mijn Vader, dat ieder die, wanneer hij de Zoon ziet en in Deze gelooft, eeuwig leven bezit; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.”