Lezing
Hymne
1626
Psalmen
1189
Lauden
Hymne
1628
Psalmen
193
KS
1629
Middaggebed
Hymne
758
Psalmen
1197
KS
430
Vespers
Hymne
748
Psalmen
788
KS
471
Completen
Hymne
682
Psalmen
1203
H. Athanasius
bisschop en Kerkleraar
Athanasius werd in 295 te Alexandrië geboren. Samen met bisschop Alexander van die stad nam hij deel aan het Concilie van Nicea. Nadat hij hem was opgevolgd, kreeg hij veel te verduren van de zijde van de Arianen, met wie hij de strijd had aangebonden. Meermalen werd hij verbannen. Zijn geschriften getuigen van zijn zorg voor het behoud van het ware geloof, dat hij op uitstekende wijze verklaarde en verdedigde. Hij stierf in 373.
Eerste lezing
Hand. 13, 44-52
De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van God te luisteren. Bij het zien van die grote menigte werden de Joden zeer afgunstig en beantwoordden de uiteenzetting van Paulus met beschimpingen. Toen verklaarden Paulus en Barnabas in alle vrijmoedigheid: “Tot u moest wel het eerst het woord van God gesproken worden, maar omdat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig keurt, daarom richten wij ons voortaan tot de heidenen. Want aldus luidt de opdracht van de Heer tot ons: Ik heb u geplaatst als een licht voor de heidenen, opdat gij tot redding zoudt strekken tot aan het uiteinde van de aarde.” Toen de heidenen dit hoorden waren zij verheugd en verheerlijkten het woord van God, en allen die tot het eeuwig leven waren voorbestemd namen het geloof aan. Het woord des Heren verbreidde zich door heel die streek, maar de Joden hitsten de godvrezende vrouwen op die uit de toonaangevende kringen kwamen en ook de voornaamste burgers uit de stad; zij veroorzaakten een vervolging tegen Paulus en Barnabas en verjoegen hen uit hun gebied. Dezen schudden het stof van hun voeten ten teken dat zij met hen gebroken hadden en gingen naar Ikonium. De leerlingen echter waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest.
Antwoordpsalm
Ps. 98 (97), 1, 2-3ab, 3cd-4
Refrein:
Geheel de aarde aanschouwde
wat onze God voor ons deed.
Of: Alleluia.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang,
omdat Hij wonderen deed.
Zijn hand deed zich krachtig gelden,
de macht van zijn heilige arm.
Zijn weldaden deed Hij ons kennen,
de volkeren zijn gerechtigheid.
Opnieuw bleek zijn goedheid en trouw
ten gunste van Israëls huis.
Geheel de aarde aanschouwde
wat onze God voor ons deed.
Verheerlijkt de Heer, alle landen,
weest blij, verheugt u en zingt.
Evangelie
Joh. 14, 7-14
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als gij Mij zoudt kennen zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem.” Hierop zei Filippus: “Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg.” En Jezus weer: “Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader? Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in Mij, zijn werk verricht. Gelooft Mij: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Of gelooft het anders omwille van de werken. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen omdat Ik naar de Vader ga. En wat gij ook zult vragen in mijn Naam, Ik zal het doen opdat de Vader moge verheerlijkt worden, in de Zoon. Als gij Mij iets zult vragen in mijn Naam zal Ik het doen.”





