Lezing
Hymne
751
Psalmen
914
Lauden
Hymne
752
Psalmen
918
KS
416
Middaggebed
Hymne
764
Psalmen
922
KS
417
Vespers
Hymne
748
Psalmen
926
KS
418
Completen
Hymne
682
Psalmen
1206
Eerste lezing
Hand. 4, 32-37
De menigte die het geloof had aangenomen was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk. Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus en rijke genade rustte op hen allen. Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten om aan de voeten van de apostelen neer te leggen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte. Zo bezat Jozef, een leviet uit Cyprus, die van de apostelen de bijnaam Barnabas had gekregen, – dit betekent: zoon van vertroosting – een akker die hij verkocht en waarvan hij het geld meebracht om het aan de voeten van de apostelen neer te leggen.
Antwoordpsalm
Ps. 93 (92), 1ab,1c-2, 5
Refrein:
De Heer is koning, met luister omkleed.
Of: Alleluia.
De Heer is koning, met luister omkleed,
met macht heeft de Heer zich omgord.
Zo vast als de aarde, onwankelbaar,
zo vast staat uw troon door de eeuwen,
van eeuwigheid, God, zijt Gij!
Betrouwbaar is alles wat Gij betuigt,
uw huis zij heilig in lengte van dagen.
Evangelie
Joh. 3, 7-15
In die tijd zei Jezus tot Nikodémus: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij moet opnieuw geboren worden. De wind blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis maar weet niet waar hij vandaan komt, en waar hij heen gaat; zo is het met ieder die geboren is uit de Geest.” Nikodémus gaf Hem ten antwoord: “Hoe kan dat geschieden?” Daarop zei Jezus weer: “Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet eens? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten, en Wij getuigen van wat Wij gezien hebben maar onze getuigenis aanvaardt gij niet. Wanneer ge zelfs niet gelooft als Ik u spreek over dingen die op aarde reeds bekend zijn, hoe zult gij dan geloven als Ik u spreek over dingen die nog in de hemel verborgen zijn? Nooit is er iemand naar de hemel opgeklommen, tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Mensenzoon. En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben.”





