Lezing
Hymne
751
Psalmen
900
Lauden
Hymne
752
Psalmen
903
KS
490
Middaggebed
Hymne
764
Psalmen
907
KS
414
Vespers
Hymne
748
Psalmen
910
KS
491
Completen
Hymne
683
Psalmen
1205
Eerste lezing
Hand. 16, 11-15
Wij – Paulus en Silas – voeren af van Troas en koersten eerst naar Samotráke, de volgende dag naar Neápolis en vandaar naar Filippi, een stad in het eerste district van Macedonië en een kolonie. In die stad bleven we enkele dagen. Op de sabbat begaven we ons buiten de poort naar de rivieroever, waar we dachten dat een bedehuis was. Wij zetten ons neer en spraken de vrouwen toe die er bijeengekomen waren. Ook een zekere Lydia hoorde toe, die uit de stad Tyatíra kwam en purperen stoffen verkocht. Zij was een godvrezende en de Heer maakte haar hart ontvankelijk voor wat door Paulus gezegd werd. Nadat zij en haar huisgenoten gedoopt waren nodigde ze ons uit en zei: “Als ge van oordeel zijt dat ik werkelijk in de Heer geloof, komt dan in mijn huis en neemt daar uw intrek.” En zij drong er bij ons sterk op aan.
Antwoordpsalm
Ps. 138 (137), 1-2a, 2bc-3, 7c-8
Refrein:
Steeds is uw uitgestrekte hand mijn redding, Heer.
Of: Alleluia.
U wil ik prijzen, Heer, uit heel mijn hart,
omdat Gij naar mijn bidden hebt geluisterd.
Ik zing voor U en alle hemelmachten
en werp mij neer, gebogen naar uw heiligdom.
U prijs ik om uw goedheid en uw trouw,
want uw belofte hebt Gij mateloos vervuld.
Wanneer ik tot U riep hebt Gij mij steeds verhoord,
Gij hebt mij altijd nieuwe moed gegeven.
Steeds is uw uitgestrekte hand mijn redding:
de Heer voltooit voor mij al wat ik onderneem.
Uw goedheid, Heer, blijft duren zonder einde;
vergeet het maaksel van uw handen niet!
Evangelie
Joh. 15, 26 – 16, 4a
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Wanneer de Helper komt die Ik u van de Vader zal zenden, de Geest der waarheid die van de Vader uitgaat, zal Hij over Mij getuigenis afleggen. Maar ook gij moet getuigen, want vanaf het begin zijt gij bij Mij. Dit heb Ik u gezegd opdat gij niet ten val komt. Zij zullen u uit de synagoge bannen. Ja, er komt een tijd dat ieder die u doodt zal menen een daad van godsverering te stellen. Zij zullen dat doen omdat zij noch de Vader noch Mij erkend hebben. Dit heb Ik u gezegd opdat, wanneer de tijd hiervan aanbreekt, gij u zoudt herinneren dat Ik het u gezegd heb.”





