12 april 2026 ✝ Tweede zondag van Pasen

Lezingen



Tweede zondag van Pasen – Beloken Pasen – Barmhartigheidszondag

Evangelielezing

Lezing

Hymne

751

Psalmen

364

Lauden

Hymne

355

Psalmen

780

KS

410

Middaggebed

Hymne

764

Psalmen

784

KS

358

Vespers

Hymne

359

Psalmen

360

KS

411

Completen

Hymne

682

Psalmen

1203

Naam

Beloken Pasen

Eerste lezing

Hand. 2, 42-47

De broeders volhardden in de leer van de apostelen en in het gemeenschappelijk leven, in het breken van het brood en in het gebed. Ontzag beving eenieder, want door de apostelen werden vele wonderen en tekenen verricht. Allen die het geloof hadden aangenomen, waren op dezelfde plaats en bezaten alles gemeenschappelijk, verkochten hun bezittingen en goederen en verdeelden die onder allen naar ieders behoefte. Dagelijks bezochten ze met volharding en eensgezind de tempel, in hun huizen braken ze het brood, ze genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst. En elke dag bracht de Heer er meer bijeen, die gered zouden worden.

Antwoordpsalm

Ps. 118 (117), 2-4. 13-15. 22-24 (R. 1)

R. Looft de Heer, want Hij is goed, voor eeuwig duurt zijn erbarmen.
Of: Alleluia.

Laat Israël zeggen:
“Voor eeuwig duurt zijn erbarmen.”
Laat het huis van Aäron zeggen:
“Voor eeuwig duurt zijn erbarmen.”
Laat wie de Heer vreest, zeggen:
“Voor eeuwig duurt zijn erbarmen.” R.

Zij duwden en duwden om mij te doen vallen,
maar de Heer kwam mij te hulp.
Mijn kracht en mijn beschermer is de Heer,
Hij is mij tot redding geworden.
Hoor de juichkreten over mijn redding
in de tenten van de rechtvaardigen. R.

De steen door de bouwers afgekeurd,
die is de hoeksteen geworden.
Dat is het werk van de Heer,
wonderbaar in onze ogen.
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt;
laten we juichen en ons verheugen. R.

Tweede lezing

I Petr. 1, 3-9

Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid herboren deed worden tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, tot een onbederfelijke, onbevlekte, onvergankelijke erfenis in de hemel weggelegd voor u die in Gods kracht door het geloof behouden blijft voor het heil, dat gereed ligt om op het einde van de tijd geopenbaard te worden. Daarover zijt gij verheugd, ook al zijt gij nu, als het zo moet zijn, voor een korte tijd bedroefd door allerlei beproevingen, opdat de loutering van uw geloof — van grotere waarde dan vergankelijk goud dat toch ook door vuur gelouterd wordt — mag leiden tot lof, heerlijkheid en eer bij de openbaring van Jezus Christus. Zonder Hem gezien te hebben hebt gij Hem lief, zonder Hem nu te zien gelooft gij in Hem en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en glorievolle vreugde, wanneer gij het einddoel van uw geloof bereikt: de redding van uw ziel.

Evangelie

Joh. 20, 19-31

Toen het avond was op die eerste dag van de week en de deuren van de verblijfplaats van de leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus, ging in hun midden staan en zei hun: “Vrede zij u!” Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde, toen zij de Heer zagen. Daarop zei Jezus hun opnieuw: “Vrede zij u! Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” En na dit gezegd te hebben blies Hij over hen en zei hun: “Ontvangt de Heilige Geest. Van wie gij de zonden vergeeft, hun zijn ze vergeven, van wie gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” Thomas, een van de twaalf, die ook Didymus genoemd wordt, was echter niet bij hen, toen Jezus kwam. Dus zeiden de andere leerlingen tegen hem: “Wij hebben de Heer gezien.” Maar hij zei hun: “Als ik niet in zijn handen de sporen van de nagelen zie, en mijn vinger in de sporen van de nagelen kan steken, en mijn hand kan steken in zijn zijde, zal ik zeker niet geloven.” Acht dagen later waren zijn leerlingen opnieuw binnen, en Thomas was bij hen. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: “Vrede zij u.” Vervolgens zei Hij tot Thomas: “Kom hier met uw vinger en zie mijn handen. Kom met uw hand en steek die in mijn zijde en wordt niet ongelovig, maar gelovig.” Hierop zei Thomas: “Mijn Heer en mijn God.” Jezus zei hem: “Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.” In het bijzijn van zijn leerlingen heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan die niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt hebben in zijn Naam.