1 februari 2026 ✝ 4e zondag door het jaar

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

693

Psalmen

1100

Lauden

Hymne

697

Psalmen

1104

KS

1107

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

1108

KS

1110

Vespers

Hymne

691

Psalmen

1111

KS

1114

Completen

Hymne

682

Psalmen

1203

Eerste lezing

Sef. 2, 3; 3, 12-13

Zoekt de Heer, gij allen, zachtmoedigen van het land, die zijn oordeel bewerkt, zoekt de gerechtigheid, zoekt de zachtmoedigheid. Dan vindt gij misschien een schuilplaats op de dag van de toorn van de Heer.
“Dan laat Ik een ootmoedig en bescheiden volk over in uw midden.” Zij hopen op de Naam van de Heer, de rest van Israël. Zij zullen geen onrecht meer doen en geen onwaarheid meer spreken; in hun mond wordt geen bedrieglijke tong gevonden. Want zij zullen weiden en neerliggen, zonder iemand die hen verschrikt.

Antwoordpsalm

Ps. 146 (145), 6c-7. 8-9a. 9bc-10 (R. Mt. 5, 3)

. Zalig de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen. Of: Alleluia.
De Heer blijft trouw tot in eeuwigheid, doet recht aan de verdrukten, Hij geeft de hongerigen brood, de Heer bevrijdt de gevangenen. R.
De Heer opent de blinden de ogen, de Heer richt de gebukten weer op, de Heer heeft de rechtvaardigen lief, de Heer beschermt de vreemdelingen. R.
Wees en weduwe verheft Hij, maar de weg van de goddelozen maakt Hij krom. De Heer is koning tot in eeuwigheid, Hij is uw God, Sion, van geslacht op geslacht. R.

Tweede lezing

I Kor. 1, 26-31

Denkt aan uw eigen roeping, broeders en zusters, want naar menselijke maatstaf waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst. Maar wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is, opdat tegenover God geen mens zou roemen op zichzelf. Dankzij Hem zijt gij in Christus Jezus, die van Godswege onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing. Daarom, zoals er geschreven staat: “Als iemand wil roemen, laat hem roemen op de Heer.”

Evangelie

Lc. 14, 1. 7-14

Toen Jezus op een sabbat
het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging
om er de maaltijd te gebruiken,
hielden zij Hem voortdurend in het oog.
Daar Hij opmerkte
hoe de genodigden de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten,
hield Hij hun de volgende gelijkenis voor:
“Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt genodigd,
ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats.
Het zou kunnen zijn
dat er door uw gastheer iemand is uitgenodigd,
die voornamer is dan gij,
en dat degene die u en hem genodigd heeft u komt zeggen:
Sta uw plaats aan hem af.
Dan zoudt ge vol schaamte de minste plaats moeten innemen.
Maar wanneer ge ergens genodigd wordt,
ga dan op de minste plaats aanliggen.
Als degene die u heeft uitgenodigd dan komt,
zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op.
Zo zal u eer te beurt vallen
in het oog van allen, die met u aanliggen.
Want al wie zichzelf verheft, zal vernederd
en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden.”
En Jezus zei ook nog, nu tot zijn gastheer:
“Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft,
nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit
en ook geen rijke buren.
Het zou kunnen zijn, dat zij op hun beurt u uitnodigen
en dat gij het dus terugkrijgt.
Maar als ge een gastmaal geeft,
nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit.
Gelukkig zult ge zijn,
omdat zij het u niet kunnen vergelden.
Het zal u vergolden worden
bij de opstanding van de rechtvaardigen.”