We lezen u voor uit de geestelijke brief afkomstig uit de abdij Saint-Joseph de Clairval over de zalige Jan Beyzym.
Op een dag in 1890, leest men bij de Jezuïeten in de refter voor uit een artikel over lepralijders. Een novice schuift zijn bord van zich af en zegt: “Het verbaast me dat men dergelijke gruwelijke dingen kan voorlezen tijdens het eten.” Zijn buurman die met heel andere oren luistert is bewogen door de beschrijving van het leed. Een paar jaar later spreekt hij erover met zijn biechtvader, de eerwaarde Beyzym. Deze laatste die op zijn beurt diep onder de indruk is, grijpt de gelegenheid aan om te vragen of hij mag vertrekken om voor de lepralijders te gaan zorgen. “Ik weet heel goed,” schrijft hij aan de algemeen overste van de Jezuïeten, “wat lepra inhoudt en waarop ik voorbereid moet zijn; dit alles boezemt mij echter geen schrik in, integendeel, ik vind het aantrekkelijk.”
– Uit de inleiding van de brief




