30 juni ✝ Woensdag in de dertiende week door het jaar

Lezingen

Heilige van de dag

Eerste H. Martelaren van de Romeinse Kerk

Evangelielezing

Lezing

Hymne

708

Psalmen

821

Lauden

Hymne

709

Psalmen

824

KS

827

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

828

KS

830

Vespers

Hymne

710

Psalmen

831

KS

834

Completen

Hymne

682

Psalmen

1207

Eerste H. Martelaren van de Romeinse Kerk

gedachtenis*

Nadat in het jaar 64 de stad Rome door brand was geteisterd, ontketende keizer Nero een kerkvervolging, waarin vele christenen de dood vonden ten gevolge van verschrikkelijke martelingen. Hiervan getuigen de heidense schrijver Tacitus in zijn Annalen (15, 44) en bisschop Clemens van Rome in zijn brief aan de Korintiërs (hoofdst. 5 en 6).

eerste lezing: Gen. 21, 5.8-20

De zoon van de slavin
mag geen medeërfgenaam worden van mijn zoon Isaäk.

Uit het Boek Genesis.
Abraham was honderd jaar, toen zijn zoon Isaäk geboren werd.
Het kind groeide op en werd van de borst genomen.
Op de dag dat Isaäk van de borst genomen werd,
gaf Abraham een groot feest.
Maar toen Sara de zoon die Hagar, de Egyptische,
aan Abraham geschonken had, eens zag lachen,
zei ze tot Abraham:
“Jaag die slavin met haar zoon weg,
want de zoon van die slavin
mag geen medeërfgenaam worden van mijn zoon Isaäk.”
Abraham vond deze eis zeer ongepast,
omdat het toch om een zoon van hem ging.
God echter zei hem:
“Wat Sara ten aanzien van de jongen en uw slavin eist,
moet gij niet als ongepast beschouwen.
Luister naar alles wat zij u zegt,
want alleen door Isaäk krijgt gij een nageslacht
dat uw naam draagt.
Maar ook de zoon van de slavin
zal Ik tot een volk maken,
omdat ook hij een kind van u is.”
Abraham voorzag Hagar de volgende morgen van brood
en een zak water, zette het kind op haar schouder
en zond hen weg.
Maar onderweg verdwaalde zij in de woestijn van Berseba.
Toen de waterzak leeg was,
legde zij het kind onder een struik
en ging op een boogschot afstand zitten,
want zij dacht: Ik kan mijn kind niet zien sterven.
Ze bleef daar zitten en schreide luid.
God hoorde het schreien van de jongen
en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar:
“Wat is er, Hagar? Wees niet bang,
want God heeft in zijn verblijf
het schreien van uw kind gehoord.
Sta op, neem de jongen en houd hem goed vast,
want Ik zal een groot volk van hem maken.”
Toen opende God haar ogen,
zodat zij een waterput zag,
zij vulde de zak weer met water
en gaf de jongen te drinken.
En God beschermde de jongen.
Toen hij groot was geworden, leefde hij in de woestijn
en werd een ervaren boogschutter.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

tussenzang: Ps 34 (33), 7-8, 10-11, 12-13

Refrein:
Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer.

Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer
en redt hen uit hun ellende.
De engel van God legt een schans om hen heen,
om elk die God vreest te beschermen.

Eerbiedigt de Heer, gij die Hem gewijd zijt,
want wie Hem eerbiedigt lijdt nimmer gebrek.
De rijken zijn arm en behoeftig geworden,
die gaan tot de Heer komen nooit iets te kort.

Komt, kinderen, luistert naar wat ik u zeg,
ik leer u de Heer te vrezen.
Wie is er bij u die het leven liefheeft
en dagen van voorspoed verlangt?

vers voor het evangelie: 2 Tim. 1, 10b

Alleluia.
Onze Heiland Christus Jezus heeft de dood vernietigd,
en onvergankelijk leven doen aanlichten
door het evangelie.
Alleluia.

evangelie: Mt. 8, 28-34

Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God?

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Lof zij U, Christus.

Toen Jezus aan de overkant van het meer gekomen was
in het land der Gadarenen,
liepen Hem twee bezetenen tegemoet.
Ze kwamen uit de grafspelonken te voorschijn
en waren zeer gevaarlijk, zodat niemand daarlangs kon gaan.
Plotseling begonnen ze te schreeuwen:
“Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God?
Zijt Gij hier gekomen om ons vóór de tijd te kwellen?”
Een eind van hen vandaan
was men een grote kudde zwijnen aan het hoeden.
De duivels nu smeekten Hem:
“Als Gij ons uitdrijft, stuur ons dan in die kudde zwijnen.”
Hij zei hun: “Gaat heen.”
En zij verlieten hen.
Nauwelijks hadden zij bezit genomen van de zwijnen,
of de hele kudde stortte zich van de steile oever in het meer
en kwam in het water om.
De zwijnenhoeders namen de vlucht,
en in de stad gekomen vertelden zij alles,
ook wat er met de bezetenen gebeurd was.
Daarop liep de hele stad uit, Jezus tegemoet,
en toen zij Hem zagen,
verzochten zij Hem hun streek te verlaten.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

Menu sluiten