29 maart ✝ Goede vrijdag

Lezingen

Evangelielezing

Lezing

Hymne

318

Psalmen

319

Lauden

Hymne

323

Psalmen

324

KS

327

Middaggebed

Hymne

329

Psalmen

330

KS

333

Vespers

Hymne

743

Psalmen

334

KS

336

Completen

Hymne

682

Psalmen

1210

 

1 Vandaag en morgen wordt, op grond van de aloude traditie van de kerk, de eucharistie in het geheel niet gevierd.
2 Niets mag zich op het altaar bevinden: geen kruis, geen kandelaars, geen dwalen.
3 Na het middaguur van deze dag, d.w.z. rond drie uur, tenzij men om pastorale redenen de voorkeur geeft aan een later tijdstip, vindt de herdenking van het lijden en sterven van de Heer plaats. Deze plechtigheid bestaat uit drie delen: dienst van het woord, kruisverering en heilige communie. Vandaag kan alleen tijdens de herdenking van het lijden en sterven van de Heer de heilige communie worden uitgereikt; aan zieken die aan deze viering niet kunnen deelnemen kan de heilige communie op alle uren van de dag worden gebracht.
4 Bekleed met rode gewaden (zoals voor de eucharistieviering) begeven de priester en de diaken zich naar het altaar, verrichten de gewone eerbiedsbetuiging en gaan plat ter aarde liggen of blijven geknield, indien dit wenselijk is. Allen bidden nu enige ogenblikken in stilte.

GEBED (zonder Laat ons bidden)
Gedenk, Heer,
wat Gij gedaan hebt in uw barmhartigheid.
Blijf uw zegen en bescherming verlenen aan uw dienaren
voor wie Christus, uw Zoon, met zijn bloed
het paasfeest heeft ingewijd.
Die leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen.
ofwel:
God, de dood die als een erfenis van de eerste zonde
was overgegaan op heel het nageslacht,
hebt Gij teniet gedaan
door het lijden en sterven van Christus, uw Zoon, onze Heer.
Wij bidden U:
maak ons gelijkvormig aan Hem:
dat wij, die van nature
het beeld van de aardse mens in ons gedragen hebben,
door uw heiligende genade
het beeld mogen dragen van de hemelse mens:
Christus onze Heer.

allen: Amen.

EERSTE DEEL: DIENST VAN HET WOORD

EERSTE LEZING
Jes., 52, 13-53, 12
Hij werd mishandeld om onze misdaden.

Uit de Profeet Jesaja

52, 13 Zie mijn dienaar zal succesvol handelen,
hij zal worden verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt.
Zoals velen over hem ontsteld hebben gestaan
zo misvormd was hij, zo onmenselijk van voorkomen
en zijn schoonheid beneden die van mensenkinderen.
Zo zal hij vele volkeren slaan met verbazing,
koningen zullen hun mond voor hem sluiten,
want wat hun niet verteld is aanschouwen zij
en wat zij niet hebben gehoord, zien zij in.
53, 1   Wie kon geloven wat wij hebben gehoord
en over wie is de arm van de Heer zichtbaar geworden?
Hij is geprezen als een alleenstaande loot
en als een wortel uit dorre grond;
hij had gestalte noch luister,
zodat wij naar hem konden zien,
geen voorkomen zodat wij hem zouden kunnen begeren.
Veracht en door de mensen verstoten,
Man van smarten en door lijden gerijpt;
als een die zijn gelaat voor ons heeft verborgen,
veracht en door ons niet geteld.
Toch waren het onze pijnen die hij droeg
onze smarten die hij op zich nam.
Wij daarentegen beschouwden hem als een getroffene,
als iemand die door God is geslagen en vernederd.
Hij is echter doorboord om onze zonden,
mishandeld om onze misdaden,
want op hem rust de straf voor ons heil
en door zijn striemen is er genezing voor ons.
Wij allen dwaalden als een kudde,
ieder ging zijn eigen weg;
de Heer liet op hem neerkomen
de misdaad van ons allen.
en mishandelde hem en hij heeft het aanvaard,
hij heeft zijn mond niet geopend.
Als het lam dat naar de slachtbank geleid wordt
en als het schaap dat voor zijn scheerder verstomt,
zo heeft hij zijn mond niet geopend.
Door een gewelddadige rechtspraak is hij weggerukt.
Wie is er nog die denkt aan zijn leven?
Hij is immers weggenomen uit het land der levenden,
om de zonden van mijn volk tot de dood toe geslagen.
Men geeft hem een graf bij de misdadigers
en bij de rijken een rustplaats
ofschoon hij geen onrecht gepleegd heeft
en er geen bedrog is geweest in zijn mond.
Het heeft de Heer behaagd hem met slagen te pijnigen.
Al brengt hij zichzelf ten offer
toch zal hij een nageslacht zien, zijn dagen verlengen
en de wens van de Heer zal door zijn hand vervuld worden.
Om zijn zwoegen zal hij licht zien en worden verzadigd.
Door zijn inzicht zal mijn dienaar als rechtvaardige
velen rechtvaardigen
en hun misdaden zal hij op zich Iaden.
Daarom zal Ik hem deel geven onder de groten,
en met machtigen zal hij de buit verdelen
omdat hij zijn ziel prijsgaf aan de dood
en onder de zondaars gerekend is.
Hij draagt immers de zonden van velen
en is voor de zondaars een voorspraak.

Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.

ANTWOORDPSALM
Ps. 31 (30), 2 en 6, 12-13, 15-16, 17 en 25

R:    Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.

Bij U, Heer, zoek ik mijn toevlucht,
stel mij toch nimmer teleur.

Vertrouwvol leg ik mijn geest in uw handen,
Gij zult mij beschermen, getrouwe God.

Mijn vijanden drijven de spot met mij,
mijn buren lachen mij uit.

Men is mij vergeten als was ik dood,
ik ben gebroken huisraad.

Toch blijf ik op U vertrouwen, Heer,
steeds zeg ik: Gij zijt mijn God.

Gij hebt mijn lot in uw hand,
bevrijd mij van mijn vervolgers.

Laat over uw dienaar uw Aanschijn stralen,
red mij door uw genade.

Schept moed en weest onverschrokken
gij allen die hoopt op de Heer.

TWEEDE LEZING
Hebr., 4, 14-16; 5, 7-9
Hij heeft gehoorzaamheid geleerd en is voor allen die Hem gehoorzamen
oorzaak geworden van eeuwig heil.

Uit de brief aan de Hebreeën

Broeders en zusters,

Nu wij een verheven hogepriester hebben,
een die de hemelen is doorgegaan,
Jezus, de Zoon van God,
nu moeten wij vasthouden aan onze belijdenis.
Want wij hebben een hogepriester
die in staat is mee te voelen met onze zwakheden.
Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld,
precies zoals wij, afgezien dan van de zonde.
Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade,
om barmhartigheid en genade te verkrijgen
en tijdige hulp.

In de dagen van zijn sterfelijk leven
heeft Hij onder luid geroep en geween
gebeden en smekingen opgedragen aan God
die Hem uit de dood kon redden.
Om zijn vroomheid is Hij verhoord:
hoewel Hij Gods Zoon was
heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd;
en toen Hij het einde had bereikt
is Hij voor allen die Hem gehoorzamen
oorzaak geworden van eeuwig heil.

Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.

VERS VOOR HET EVANGELIE
Fil., 2, 8-9

Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot de dood,
tot de dood aan een kruis.
Daarom heeft God Hem hoogverheven
en Hem de naam verleend die boven alle namen is.

EVANGELIE
Joh., 18,1 – 19,42
Het lijden van onze Heer Jezus Christus.

Het lijdensverhaal van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

V 1  In die tijd
ging Jezus met zijn leerlingen naar buiten,
naar de overkant van de beek Kedron.
Daar was een boomgaard die Hij met zijn leerlingen binnenging.
Maar ook Judas die Hem zou overleveren kende deze plaats
omdat Jezus er dikwijls met zijn leerlingen was samengekomen.
Zo kwam Judas daarheen
met de afdeling soldaten
en met dienaars van de hogepriesters en Farizeeën,
voorzien van lantaarns, fakkels en wapens.
Jezus, die alles wist wat over Hem ging komen,
trad naar voren en zei tot hen:
+     „Wie zoekt gij?”
V 5  Zij antwoordden Hem:
A     „Jezus de Nazoreeër.”
V     Jezus zei hun:
+     „Dat ben Ik.”
V     Ook Judas, zijn verrader, bevond zich bij hen.
Nauwelijks had Jezus hun gezegd: Dat ben Ik,
of zij weken achteruit en vielen op de grond.
Nog eens vroeg Hij hun:
+     „Wie zoekt gij?”
V     Zij zeiden:
A     „Jezus de Nazoreeër.”
V 8  Jezus antwoordde:
+     „Ik heb u gezegd dat Ik het ben.
Als gij Mij zoekt, laat deze mensen dan gaan.”
V 9  Vervuld moest worden wat Hij gezegd had:
Niemand van hen die Gij Mij gegeven hebt
liet Ik verloren gaan.
Maar Simon Petrus had een zwaard bij zich.
Hij trok het en verwondde daarmee de knecht van de hogepriester
door hem het rechteroor af te slaan.
De naam van die knecht was Malchus.
Jezus echter sprak tot Petrus:
+     „Steek dat zwaard in de schede; zou Ik de beker niet drinken
die mijn Vader Mij gegeven heeft?”

V12 De afdeling met de bevelhebber en de dienaars van de Joden
grepen toen Jezus vast, boeiden Hem
en brachten Hem eerst naar Annas.
Deze was namelijk de schoonvader van Kájafas
die dat jaar hogepriester was,
dezelfde Kájafas die aan de Joden de raad had gegeven:
Het is beter dat er één mens sterft voor het volk.
Simon Petrus en nog een andere leerling volgden Jezus.
Die leerling nu was een bekende van de hogepriester
en zo ging hij tegelijk met Jezus
het paleis van de hogepriester binnen,
terwijl Petrus buiten de poort bleef staan.
Die andere leerling, de bekende van de hogepriester,
kwam naar buiten,
sprak met de portierster en bracht Petrus naar binnen.
Het meisje dat aan de poort stond vroeg Petrus:
A      „Ben je ook niet een van de leerlingen van die man?”
V      Hij zei:
A      „Welnee.”
V 18 Omdat het koud was hadden de knechten en dienaars
een houtskoolvuur aangelegd en stonden zich te warmen.
Ook Petrus stond bij hen en warmde zich.
De hogepriester
ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en zijn leer.
Jezus antwoordde hem:
+       „Ik heb openlijk tot de wereld gesproken.
Ik heb altijd onderricht gegeven
in een synagoge of in de tempel
waar alle joden bijeenkomen
en er is niets wat Ik in het geheim heb gesproken.
Waarom ondervraagt gij Mij?
Ondervraag de mensen
die gehoord hebben wat Ik hun heb verkondigd.
Die weten goed wat Ik heb gezegd.”
V 22 Op dit woord gaf een van de dienaars die naast Hem stond
Jezus een klap in het gezicht en voegde Hem toe:
A       „Antwoordt Gij zo de hogepriester?”
V 23 Jezus antwoordde hem:
+      „Indien Ik iets verkeerds gezegd heb
verklaar dan wat er verkeerd in was;
maar indien het goed was
waarom slaat gij Mij?”
V 24 Daarop zond Annas Hem geboeid naar de hogepriester Kájafas.
Simon Petrus stond zich te warmen toen iemand hem vroeg:
A      „Ben ook jij niet een van zijn leerlingen?”
V      Hij ontkende het en zei:
A      „Welnee.”
V 26 Maar een van de knechten van de hogepriester,
een bloedverwant van de man
wie Petrus het oor had afgeslagen zei:
A      „Heb ik je niet in de boomgaard bij Hem gezien?”
V 27 Petrus ontkende het opnieuw
en meteen begon er een haan te kraaien.

Toen brachten ze Jezus
van het huis van Kájafas naar het pretorium.
Het was vroeg in de morgen.
Zelf gingen zij het pretorium niet binnen
want ze moesten het paasmaal kunnen eten
en mochten zich daarom niet verontreinigen.
Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg hun:
A      „Welke beschuldiging brengt gij tegen deze man in?”
V 30 Zij gaven hem ten antwoord:
A      „Als dit geen misdadiger was
zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd.”
V 31 Daarop zei Pilatus:
A      „Neemt Hem dan zelf en vonnist Hem volgens uw Wet!”
V      De Joden antwoordden hem:
A      „Wij missen het recht om iemand ter dood te brengen.”
V 32 Zo zou Jezus’ woord in vervulling gaan
waarmee Hij had aangeduid welke dood Hij zou sterven.
Nu ging Pilatus het pretorium binnen,
riep Jezus bij zich en zei tot Hem:
A      „Zijt Gij de koning der Joden?”
V 34 Jezus antwoordde hem:
+      „Zegt gij dit uit uzelf
of hebben de anderen u over Mij gesproken?”
V 35 Pilatus gaf ten antwoord:
A      „Ben ik soms een Jood?
Uw eigen volk en de hogepriesters
hebben U aan mij overgeleverd.
Wat hebt Gij gedaan?”
V 36 Jezus antwoordde:
+      „Mijn koningschap is niet van deze wereld.
Zou mijn koningschap van deze wereld zijn
dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben
dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd.
Mijn koningschap is evenwel niet van hier.”
V 37 Pilatus hernam:
A      „Gij zijt dus toch koning?”
V      Jezus antwoordde:
+      „Ja, koning ben Ik.
Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen
om getuigenis af te leggen van de waarheid.
Alwie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.”
V 38 Pilatus zei tot Hem:
A      „Wat is waarheid?”
V      Na die woorden ging hij weer naar buiten tot de Joden en zei:
A      „Ik vind hoegenaamd geen schuld in Hem.
Maar er bestaat onder u de gewoonte
dat ik met Pasen iemand vrijlaat.
Wilt gij dus dat ik u de koning der Joden vrijlaat?”
V 40 Toen begonnen ze opnieuw te schreeuwen:
A      „Neen, Die niet maar Barabbas!”
V      Barabbas was een rover.

Toen liet Pilatus Jezus geselen.
De soldaten vlochten een kroon van doorntakken,
zetten Hem die op het hoofd
en wierpen Hem een purperen mantel om.
Ze traden op Hem toe en zeiden:
A      „Gegroet, koning der Joden!”
V      En zij sloegen Hem in het gezicht.

Pilatus ging weer naar buiten en zei tot hen:
A      „Ziehier, ik breng Hem naar buiten om u te doen weten
dat ik volstrekt geen schuld in Hem vind.”
V 5  Jezus kwam dus naar buiten
terwijl Hij nog de doornenkroon en de purperen mantel droeg.
Pilatus zei tot hen:
A      „Ziehier de mens.”
V 6   Maar toen de hogepriesters en hun dienaars Hem zagen
schreeuwden ze:
A      „Kruisigen, kruisigen!”
V      Pilatus zei hun:
A      „Neemt gij Hem dan en kruisigt Hem want ik vind geen schuld in Hem.”
De Joden antwoordden hem:
„Wij hebben een Wet
en volgens die Wet moet Hij sterven
omdat Hij zich voor Gods Zoon heeft uitgegeven.”
V 8   Toen Pilatus dit hoorde werd hij nog meer bevreesd.
Hij ging het pretorium weer binnen en sprak tot Jezus:
A      „Waar zijt Gij vandaan?”
V      Jezus gaf hem echter geen antwoord.
Daarom zei Pilatus:
A      „Gij spreekt niet tegen mij?
Weet Ge dan niet dat ik de macht heb om vrij te spreken
maar ook de macht heb om U te kruisigen?”
V 11 Jezus antwoordde:
+      „Ge zoudt volstrekt geen macht over Mij hebben
als u die niet van boven gegeven was.
Daarom is de zonde van hem die Mij aan u heeft overgeleverd groter.”
V 12 Van dit ogenblik af
wilde Pilatus ertoe overgaan Hem vrij te laten.
Maar de Joden schreeuwden:
A      „Als ge die man vrijlaat zijt ge geen vriend van de keizer.
Wie zich voor koning uitgeeft
komt in verzet tegen de keizer.”
V 13 Toen Pilatus hen dit hoorde roepen
liet hij Jezus naar buiten brengen
en ging op de rechtersstoel zitten,
op de plaats die Litóstrotos heet, in het Hebreeuws Gabbata.
Het was de voorbereidingsdag voor Pasen,
ongeveer het zesde uur.
Hij zei tot de Joden:
A      „Hier is uw koning.”
V 15 Maar zij schreeuwden:
A      „Weg, weg met Hem! Kruisig Hem!”
V      Pilatus vroeg:
„Zal ik dan uw koning kruisigen?”
V      De hogepriesters antwoordden:
A      „Wij hebben geen andere koning dan de keizer!”
V 16 Toen leverde hij Hem aan hen uit om de kruisdood te ondergaan,
en zij namen Hem over.
Zelf zijn kruis dragend
trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet,
in het Hebreeuws Golgota.
Daar sloegen zij Hem aan het kruis,
en met Hem nog twee anderen,
aan elke kant een en Jezus in het midden.
Pilatus had ook een opschrift laten maken
en op het kruis doen aanbrengen.
Het luidde: Jezus, de Nazoreeër, de koning van de Joden.
Vele Joden lazen dit opschrift,
want de plaats waar Jezus gekruisigd werd lag dicht bij de stad.
Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks.
De hogepriesters van de Joden nu zeiden tot Pilatus:
A      „Ge moest er niet op zetten: ‘de koning van de Joden’ maar:
‘Hij heeft gezegd: Ik ben de koning van de Joden’.”
V 22 Pilatus antwoordde:
A      „Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.”
V 23 Toen de soldaten Jezus gekruisigd hadden,
namen ze zijn kleren en deelden ze in vieren,
voor iedere soldaat een deel.
Ze namen ook de lijfrok
die echter zonder naad was, aan één stuk geweven van bovenaf.
Daarom zeiden ze tot elkaar:
A      „Laten we die niet scheuren
maar er om loten wie hem krijgt.”
V      Aldus moest de Schrift vervuld worden:
Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en dobbelden om mijn gewaad.

Terwijl de soldaten hiermee bezig waren
stonden bij Jezus’ kruis zijn moeder,
de zuster van zijn moeder, Maria, de vrouw van Klopas,
en Maria Magdalena.
Toen Jezus zijn moeder zag
en naast haar de leerling die Hij liefhad zei Hij tot zijn moeder:
+      „Vrouw, zie daar uw zoon.”
V 27 Vervolgens zei Hij tot de leerling:
+      „Zie daar uw moeder.”
V      En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.

Hierna, wetend dat nu alles was volbracht
zei Jezus, opdat de Schrift vervuld zou worden:
+      „Ik heb dorst.”
V 29 Er stond daar een kruik vol zure wijn.
Ze doopten er een spons in,
staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond.
Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij:
+      „Het is volbracht.”
V      Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest.

(Hier knielen allen gedurende enige tijd.)

Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden
dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven
– het was bovendien een grote sabbat –
vroegen zij aan Pilatus verlof
de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen.
Daarom kwamen de soldaten
en sloegen
zowel bij de ene als bij de andere die met Hem was gekruisigd
de benen stuk.
Toen zij echter bij Jezus kwamen
en zagen dat Hij reeds dood was sloegen zij Hem de benen niet stuk,
maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans;
terstond kwam er bloed en water uit.
Die het gezien heeft getuigt hiervan;
zijn getuigenis is waar
en hij weet dat hij de waarheid zegt,
opdat ook gij zoudt geloven.
Dit is gebeurd opdat de Schrift zou vervuld worden:
Van zijn gebeente zal niets worden verbrijzeld,
terwijl nog een ander Schriftwoord zegt:
Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken.

Jozef van Arimatéa,
die een leerling was van Jezus
maar in het geheim uit vrees voor de Joden,
vroeg daarna aan Pilatus
het lichaam van Jezus te mogen wegnemen.
Toen Pilatus dit had toegestaan
ging hij dus heen en nam het lichaam weg.
Nikodémus, die Hem vroeger ’s nachts bezocht had,
kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee,
ongeveer honderd pond.
Zij namen het lichaam van Jezus
en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels,
zoals bij een Joodse begrafenis gebruikelijk is.
Op de plaats waar Hij gekruisigd werd lag een tuin
en in die tuin een nieuw graf
waarin nog nooit iemand was neergelegd.
Vanwege de voorbereidingsdag van de Joden
en omdat het graf dichtbij was
legden zij Jezus daarin neer.

Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.

KORTE HOMILIE EN STIL GEBED

VOORBEDE

I Voor de heilige Kerk
Diaken of priester:
Laten wij bidden, broeders en zusters,
voor de heilige kerk:
dat onze God en Heer haar over heel de wereld
vrede en eenheid brengt;
dat in ons leven tijden van rust en stilte komen
tot verheerlijking van God, de almachtige Vader.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
in Christus hebt Gij uw heerlijkheid
aan alle volken geopenbaard.
Waak over het werk van uw barmhartigheid,
geef dat uw kerk, verspreid over heel de wereld,
standhoudt in de belijdenis van uw Naam.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

II Voor de paus
Diaken of priester:
Laten wij ook bidden voor onze heilige vader, paus N.,
die door onze God en Heer
is uitverkoren tot het bisschopsambt:
dat hij gespaard blijft
om leiding te geven aan de kerk, het heilig volk van God.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
alles wat bestaat steunt op uw raadsbesluit.
Luister naar ons gebed:
bewaar in uw liefde de paus
die Gij over ons hebt aangesteld.
Moge het christenvolk, dat door U wordt bestuurd,
onder zijn leiding altijd toenemen in geloof.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

III Voor de gehele geestelijkheid en alle gelovigen
Diaken of priester:
Wat betreft het noemen van de naam van de bisschop en de formule die gebruikt dient te
worden: zie de algemene inleiding van het Romeins missaal, nr.109.
Laten wij ook bidden voor onze bisschop N.,
voor alle bisschoppen, priesters en diakens van de kerk
en voor heel het gelovige volk.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
door uw Geest leidt en heiligt Gij allen
die tot de kerk behoren, het Lichaam van de Heer.
Verhoor ons gebed voor al uw gewijde dienaren:
dat ieder, naar de genade die Gij hem hebt geschonken,
U dient in geloof en trouw.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

IV Voor de doopleerlingen
Diaken of priester:
Laten wij ook bidden voor hen
die zich op het doopsel voorbereiden:
dat onze God en Heer hun oren opent
om met hun hart zijn woord te verstaan,
en hun de deur ontsluit van zijn barmhartigheid;
dat zij door de wedergeboorte in het waterbad
vergiffenis verkrijgen van alle zonden
en geborgen zijn in Christus Jezus, onze Heer.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
Gij zegent steeds de kerk met nieuwe christenen.
Breng de doopleerlingen geloof en inzicht bij.
Geef dat zij herboren worden uit het water van het doopsel
en in de gemeenschap worden ingelijfd van hen
die Gij als uw kinderen hebt aangenomen.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

V Voor de eenheid van alle christenen
Diaken of priester:
Laten wij ook bidden
voor al onze broeders en zusters die in Christus geloven:
dat onze God en Heer hen die trouw zijn aan de waarheid
samenbrengt en in zijn ene kerk bewaart.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
die verdeeld zijn brengt Gij weer samen,
die samen zijn bewaart Gij in uw vrede.
Zie genadig naar de kudde van uw Zoon:
verenig allen die door één doopsel zijn geheiligd
in oprecht geloof,
en verbind hen door één band van liefde
in Christus Jezus onze Heer.
allen: Amen.

VI Voor het Joodse volk
Diaken of priester:
Laten wij ook bidden voor het Joodse volk
dat door onze God en Heer het eerst is aangesproken:
dat Hij het groot maakt in liefde voor zijn heilige Naam,
in trouw aan zijn Verbond.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
Gij hebt uw beloften toevertrouwd
aan Abraham en aan zijn volk.
Verhoor genadig de gebeden van uw kerk:
dat het volk dat Gij het eerst hebt uitverkoren,
tot de volheid van de verlossing komt.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

VII Voor allen die niet in Christus geloven
Diaken of priester:
Laten wij ook bidden
voor hen die niet in Christus geloven:
dat de heilige Geest hen met zijn licht vervult
en dat zij de wegen inslaan die leiden naar het heil.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
geef dat zij die zonder Christus te kennen
in uw ogen eerlijk door het leven gaan,
de waarheid vinden;
en dat wij altijd groeien in wederzijdse liefde,
meer ontvankelijk worden voor het mysterie van uw leven
en voor de wereld beter getuigen van uw goedheid.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

VIII Voor allen die niet in God geloven
Diaken of priester:
Laten wij ook bidden
voor hen die niet in God geloven:
dat zij met een oprecht hart ingaan op wat goed is
en eenmaal bij God uitkomen.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
Gij hebt de mensen zo gemaakt
dat zij in hun verlangens U altijd zoeken
en tot rust komen als zij U vinden.
Wij vragen U
dat allen, ondanks de vele hindernissen,
de tekenen verstaan van uw liefde
en het getuigenis van de goede werken van uw gelovigen;
en dat zij eenmaal U, God, één en waarachtig,
vol vreugde onze Vader noemen.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

IX Voor de regeringsleiders
Diaken of priester:
Laten wij ook bidden
voor de regeringsleiders:
dat onze God en Heer
hun hart en geest richt naar zijn wil,
zodat iedereen mag leven in vrijheid en echte vrede.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
het leven van de mensen ligt in uw hand
en voor de rechten van de volken staat Gij borg.
Sta onze regeringsleiders bij
en geef dat overal ter wereld
onder alle volkeren voorspoed en blijvende vrede heersen
en vrijheid van godsdienst.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

X Voor allen die in nood verkeren
Diaken of priester:
Laten wij bidden, broeders en zusters,
tot God, de almachtige Vader:
dat Hij de wereld van dwaling zuivert,
gevaarlijke ziekten en hongersnood verdrijft,
gevangenissen ontsluit en boeien verbreekt,
een thuis schenkt aan ontheemden,
veiligheid aan hen die onderweg zijn,
genezing voor zieken, en voor de stervenden eeuwig heil.
Stilte

Priester:
Almachtige eeuwige God,
Gij zijt vertroosting voor de bedroefden
en sterkte voor hen die het moeilijk hebben.
Laat hun gebeden tot U doordringen,
uit welke nood zij ook roepen.
Dat zij tot hun vreugde
de hulp ondervinden van uw barmhartigheid
in al hun beproevingen.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

TWEEDE DEEL: KRUISVERERING

Kruistoning

Priester: Zie het hout van het Kruis,
waaraan de Verlosser van de wereld hing.
allen: Komt, laten wij aanbidden.

ofwel:

Priester: Aanschouwt dit kostbaar kruis,
waaraan de Redder heeft gehangen.
allen: Komt laten wij aanbidden. Komt laten wij aanbidden.

Kruisverering

Refrein:
Vol eerbied, Christus, aanbidden wij uw kruis,
en wij zingen de lof van uw heilige verrijzenis.
Want zie, door het kruis kwam er vreugde
in heel de schepping.

Ps. 67 (66), 2
God, wees ons barmhartig en zegen ons,
toon ons het licht van uw aanschijn.

Refrein

‘Beklag van God’
koor:
Mijn volk, wat heb Ik u gedaan,
of waarmee heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.

voorzanger:
Ik heb u uit Egypte weggeroepen.
Gij hebt geroepen: ‘aan het kruis met Hem’.

koor:
Hagios o Theos, Sanctus Deus, Heilige God.
Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.
allen: Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.

voorzanger:
Ik heb voor u het water uit de rots doen stromen.
Gij hebt Mij gal en azijn te drinken gegeven.

koor: Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.
allen: Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.

voorzanger:
Ik heb om uwentwil uw vijanden geslagen,
maar gij hebt Mij gegeseld en gehoond.

allen:
Mijn volk, wat heb Ik u gedaan,
of waarmee heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.

koor: Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.
allen: Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.

voorzanger:
Ik heb u groot gemaakt, met heerlijkheid gekroond,
maar gij hebt Mij een doornenkroon gevlochten.

koor:
Hagios o Theos, Sanctus Deus, Heilige God.
Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.
allen: Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.

voorzanger:
Wat had Ik nog meer voor u moeten doen?
Ik heb u binnengevoerd in mijn land, in mijn vrede.
Maar gij, gij hebt uw Redder aan het kruis geslagen.

koor: Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.
allen: Heilige onsterfelijke God, ontferm U over ons.
Mijn volk, wat heb Ik u gedaan,
of waarmee heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij.

Lofzang
Zing, mijn tong, bezing het teken
van de zege in de strijd.
’t Vaandel dat de Heer zal steken,
is het kruis waaraan Hij lijdt.
Hij die ’t daglicht aan doet breken
heeft ten offer zich gewijd.

Ziende hoe het menslijk leven,
dat Hij schoon geschapen had,
aan de dood was prijsgegeven
om de vrucht die Adam at,
heeft God weer een boom verheven,
gaf zijn allerliefste schat.

Om het heil ons te bereiden
heeft Hij ’t heilig recht voldaan,
heeft hem die ons kwam misleiden
met zijn list beschaamd doen staan,
bood ons om ons te bevrijden
deze vrucht der liefde aan.

Toen de volheid van de tijden
was gekomen, koos de Zoon,
Heer des hemels, onze zijde,
daalde neder uit de troon,
God en Zoon des mensen beide,
voor een maagd het moederloon.

’t Schreiend kind door God gezonden
in de kribbe, was de Heer.
In de windselen gewonden
lag Hij hulpeloos terneer,
handjes, voetjes, saam gebonden,
zoetjes drinkend, klein en teer.

Toen de ure was gekomen
en zijn levenstijd vervuld,
heeft de Heer op zich genomen
als verlosser alle schuld,
liet het Lam zich zonder schromen
binden, leed het met geduld.

Eenzaam hangt Hij en terzijde.
Dorens, spijkers, felle speer,
doen zijn teder lichaam lijden,
bloed en water stroomt terneer.
Wat voor stroom komt U bevrijden,
aarde, zee en sterrenheer!

Edelste van alle bomen,
zalig kruis van ons geloof,
uit welk woud zijt gij genomen,
zo met takken, bloemen, loof?
Lieflijk hout, welk een volkomen
lieve last hangt in uw loof.

Buig o boom uw takken neder,
harde nerf, wees in dit uur
vloeiende en mild en teder,
niet zo streng als van natuur.
’t Koningslichaam rust gereder
op een zachte stam terneer.

Immers draagt gij als een gave
Hem die zich ten offer wijdt.
Gij, de loods, gij wijst de haven,
als de wereld schipbreuk lijdt.
Hout dat ’t bloed des Lams zal laven,
balsem, stromend wijd en zijd.

Aan de Vader hoog verheven,
aan de Zoon die voor ons lijdt,
aan de Trooster van ons leven,
zalige Drievuldigheid,
zij de eer en kracht gegeven
nu en in der eeuwigheid. Amen.

DERDE DEEL: DE HEILIGE COMMUNIE

Priester:
Aangespoord door een gebod van de Heer
en door zijn goddelijk woord onderricht,
durven wij zeggen:

Allen:
Onze Vader, die in de hemel zijt;
uw naam worde geheiligd;
uw rijk kome;
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren;
en breng ons niet in beproeving;
maar verlos ons van het kwade.

Priester:
Verlos ons, Heer, van alle kwaad,
geef genadig vrede in onze dagen,
dat wij, gesteund door uw barmhartigheid,
vrij mogen zijn van zonde,
en beveiligd tegen alle angst en onrust.
Terwijl wij uitzien
naar de zalige vervulling van onze hoop
de komst van onze verlosser, Jezus Christus.

Allen:
Want van U is het koninkrijk
en de kracht en de heerlijkheid
in eeuwigheid.

Heer Jezus Christus,
laat het delen in uw Lichaam
voor mij geen vonnis zijn, en geen gericht,
maar een kracht die mij sterkt naar lichaam en ziel
en mij geneest van alle zwakheid.

Priester:
Zalig zij die genodigd zijn aan de maaltijd des Heren.
Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld.

Allen:
Heer, ik ben niet waardig, dat Gij tot mij komt,
maar spréék en ik zal gezond worden.

GEBED NA DE COMMUNIE
Priester: Laat ons bidden.
Almachtige eeuwige God,
door de dood en de verrijzenis van uw Zoon
hebt Gij ons nieuw leven gegeven.
Bewaar in ons het werk van uw barmhartigheid,
opdat wij door onze deelname aan dit mysterie
een leven leiden dat U is toegewijd.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

GEBED OVER HET VOLK
Priester:
Heer, wij bidden U:
laat overvloedige zegen neerdalen over uw volk
dat in de hoop op zijn verrijzenis
de dood van uw Zoon heeft herdacht.
Schenk het vergeving en bied het vertroosting,
laat het geloof groeien
en de verlossing voor altijd bevestigd worden.
Door Christus onze Heer.
allen: Amen.

Allen gaan in stilte heen.

Een reactie achterlaten