20 september ✝ Maandag in de vijfentwintigste week door het jaar

Lezingen
Heilige van de dag

Martelaren van Korea

Evangelielezing

Lezing

Hymne

1593

Psalmen

792

Lauden

Hymne

1596

Psalmen

794

KS

1597

Middaggebed

Hymne

758

Psalmen

798

KS

801

Vespers

Hymne

1601

Psalmen

802

KS

1603

Completen

Hymne

682

Psalmen

1204

Gedachtenis van de heilige Andreas Kim Taegŏn, priester, en Paulus Chŏng Hasang en gezellen, martelaren van Korea

Door de inzet van enige leken is het christelijk geloof eerst in het begin van de zeventiende eeuw doorgedrongen in Korea. Er ontstond een krachtige en vurige gemeenschap zonder herders, die tot aan het jaar 1836 bijna alleen geleid en ondersteund werd door leken. In de loop van dat jaar kwamen de eerste missionarissen, afkomstig uit Frankrijk, heimelijk het land binnen. Uit deze gemeenschap zijn gedurende de vervolgingen in de jaren 1839, 1846 en 1866 honderd en drie heilige martelaren voortgekomen. Onder hen treden op de voorgrond de eerste priester en ijverig herder voor het heil van de mensen, Andreas Kim Taegŏn, en de uitstekende lekenapostel Paulus Chŏng Hasang. De anderen zijn merendeels leken: mannen en vrouwen, gehuwden en ongehuwden, ouderen, jonge mensen en kinderen. Door het ondergaan van de doodstraf hebben zij met het kostbaar bloed van de martelaren het rijke begin van de Koreaanse Kerk geheiligd.

Eerste lezing: Uit het boek Ezra, 1, 1-6.
In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, liet de Heer de voorspelling die Hij door Jeremia gedaan had, in vervulling gaan. Hij gaf Cyrus, de koning van Perzië, in om in heel zijn koninkrijk een boodschap af te kondigen en brieven rond te sturen van de volgende inhoud. Zo spreekt Cyrus, de koning van Perzië: de Heer, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde geschonken. Hij heeft mij opgedragen voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem in Juda. Laten al degenen onder u die tot zijn volk behoren, onder zijn hoede terugkeren naar Jeruzalem in Juda en een tempel bouwen ter ere van de Heer, de God van Israël, de God die in Jeruzalem woont. Overal waar er nog Israëlieten zijn, zullen deze van hun medeburgers zilver en goud, have en vee ontvangen, en bovendien wijgeschenken voor de tempel van God in Jeruzalem. De familiehoofden van Juda en Benjamin, de priesters en de levieten, allen wie God het ingaf, troffen voorbereidingen voor de terugreis om de tempel van de Heer in Jeruzalem weer op te bouwen. En hun buren gaven hun als bijdragen zilveren en gouden voorwerpen, have en vee en allerlei kostbaarheden en nog andere geschenken die ze spontaan aanboden.

Tussenzang: Ps. 126 (125), 1-2ab. 2cd-3. 4-5. 6.

Antifoon: Geweldig was het wat de Heer ons deed.

De Heer bracht Sions ballingen terug:
het was alsof wij droomden.
Toen lachten alle monden
en juichte elke tong.

Toen zei men bij de volken:
geweldig is het wat de Heer hen deed.
Geweldig was het wat de Heer ons deed,
daarom zijn wij zo blij.

Keer nu ons lot ten goede, Heer,
zoals een beek doet in de Zuidwoestijn.
Die onder tranen zaaien
zij oogsten met gejuich.

Vol zorgen gaan zij uit
met zaaizakken beladen;
maar keren zingend weer
beladen met hun schoven.

Alleluia: Joh. 14, 5.
Alleluia. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, zegt de Heer; niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Alleluia.

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas, 8, 16-18.
In die tijd zei Jezus tot de menigte: Niemand steekt een lamp aan om die onder een schaal te verbergen of onder een rustbank te zetten, maar hij plaatst ze op een standaard, opdat al wie binnenkomt het licht kan zien. Niets is verborgen dat niet openbaar gemaakt, niets geheim dat niet bekend zal worden en aan het licht zal komen. Let dus op hoe gij luistert. Aan wie heeft zal gegeven worden; maar wie niet heeft: zelfs wat hij meent te hebben, zal hem nog ontnomen worden.

Menu sluiten